De Rechtbank Amsterdam heeft op 16 november 2022 uitspraak gedaan over de vraag of de executeur, tevens enig erfgenaam, aan de legitimaris rekening en verantwoording diende af te leggen over een aanzienlijke afname van het vermogen in korte tijd.

Eiseres stelt, kort gezegd, dat gedaagde onvoldoende inlichten en bescheiden heeft verstrekt aan eiseres om haar legitieme portie uit de nalatenschap van erflater vast te kunnen stellen.

Eiseres vordert in het incident dat gedaagde deze bescheiden alsnog overlegt.

Erfrecht. Legitieme. Dient de executeur, tevens enig erfgenaam, aan de legitimaris rekening en verantwoording af te leggen over een aanzienlijke afname van het vermogen van de nalatenschap? Recht op informatie van de legitimaris. Giften. Afgifte van bankafschriften. Dagvaarden van executeur die tevens erfgenaam is.

De rechter oordeelt als volgt.

Gedaagde voert het formele verweer dat eiseres niet-ontvankelijk is, omdat zij gedaagde niet in de hoedanigheid van executeur heeft gedagvaard.

Gedaagde is in persoon gedagvaard, terwijl de grondslag van de vordering ziet op de verplichtingen die op gedaagde rusten in haar hoedanigheid van executeur, aldus gedaagde.

Op grond van artikel 4:78 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan eiseres als legitimaris die geen erfgenaam is, aanspraak maken op inzage in alle bescheiden die zij voor de berekening van haar legitieme portie nodig heeft.

Deze aanspraak heeft eiseres zowel tegenover de erfgenamen als tegenover de executeur en wordt ook wel informatieplicht genoemd.

Gedaagde is naast executeur ook enig erfgenaam, zodat deze informatieplicht op haar rust zowel in hoedanigheid van executeur als in persoon.

Dat de hoedanigheid van gedaagde als executeur in de aanhef van de dagvaarding niet expliciet wordt vermeld, schaadt gedaagde niet in haar belang nu zij over beide hoedanigheden beschikt.

Eiseres is daarom ontvankelijk in haar vordering.

Afgifte van bescheiden

De vordering van eiseres tot afgifte van bescheiden in dit incident wordt beheerst door artikel 843a Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Daarin is bepaald dat een dergelijke vordering vereist dat eiseres een rechtmatig belang heeft bij de afgifte, dat de bescheiden voldoende zijn bepaald en dat de bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij eiseres of haar rechtsvoorganger partij is.

Dat eiseres als dochter van erflater partij is bij de verdeling van de nalatenschap, wordt niet door gedaagde betwist.

Om een rechtmatig belang van bepaalde bescheiden aan te kunnen nemen, dient eiseres concreet te stellen en te onderbouwen waarom de gevorderde stukken voor de legitieme portie noodzakelijk zijn.

Daarbij wordt meegewogen dat op gedaagde een informatieplicht rust uit hoofde van artikel 4:78 lid 1 BW. Hoever deze informatieplicht reikt, dient per geval te worden beoordeeld.

De wetgever heeft gekozen voor een ruim toepassingsbereik met de bewoordingen “alle daartoe strekkende inlichtingen”, maar het is geen algemeen inzagerecht en beperkt zich tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.

Gedaagde betwist het rechtmatig belang bij afgifte van de door eiseres in de dagvaarding opgesomde bescheiden.

Daarbij voert gedaagde aan dat eiseres al over een boedelbeschrijving beschikt en dat de nalatenschap onvoldoende vermogen bevat voor een legitieme portie van eiseres.

Daarbij verwijst gedaagde naar financiële documentatie, zoals jaaroverzichten van bankrekeningen en belastingaangiften.

Tot slot voert gedaagde aan dat zij niet bekend is met schenkingen die erflater bij leven zou hebben gedaan en dat zij geen verantwoording hoeft af te leggen over de uitgaven waarmee het vermogen van erflater is geslonken in de periode voor overlijden.

Eiseres stelt dat er sprake is van vermogensoverheveling van erflater aan gedaagde in de periode vanaf 31 december 2019 tot aan het overlijden van erflater.

Uit de financiële documentatie die gedaagde in het geding heeft gebracht, blijkt het volgende.

Het giraal vermogen van erflater bedroeg € 67.079,00 op 1 januari 2020.

Dit vermogen was voor € 53.016,00 verdeeld over een drietal bankrekeningen bij ABN Amro en voor € 14.063,00 verdeeld over een tweetal bankrekeningen bij Rabobank.

Het vermogen van erflater bedroeg op 1 januari 2021 nog € 177,00 op een bankrekening bij ABN Amro.

Daarnaast zijn er door gedaagde jaaroverzichten van twee bankrekeningen bij Rabobank overgelegd met andere rekeningnummers dan erflater had op 1 januari 2020.

Daaruit blijkt dat het saldo daarop van in totaal € 19.758,47 op 31 december 2020 is gereduceerd tot € 400,02 op 31 december 2021.

Gedaagde heeft niet toegelicht waar het giraal vermogen van erflater van € 67.079,00 is gebleven en neemt het standpunt in dat zij daaromtrent geen toelichting hoeft te geven, omdat haar informatieplicht niet zover reikt.

Daarbij verwijst gedaagde naar een uitspraak van Gerechtshof Den Haag, waarin is geoordeeld dat de erfgenaam aan de onterfde legitimaris geen inzicht hoeft te verschaffen in het vermogensverloop in de periode voor het overlijden van erflater (GHDHA:2019:1869)

De motivering van dit oordeel van Gerechtshof Den Haag is dat een erflater zijn leven kon invullen zoals hij wenste, waardoor legitimarissen niet achteraf kunnen eisen dat alsnog rekening en verantwoording dient te worden afgelegd met betrekking tot de leefwijze van die erflater en het mogelijk daarmee gepaard gaande uitgavenpatroon.

Anders dan gedaagde meent betekent dit in de onderhavige zaak niet dat gedaagde de bestedingsdoeleinden van de verrichte uitgaven helemaal niet hoeft toe te lichten.

Van gedaagde mag een verklaring worden verwacht over de oorzaak van de aanzienlijke afname van het giraal vermogen van € 67.079,00 gedurende een relatief korte periode, te meer nu gedaagde als partner van erflater daar waarschijnlijk gemakkelijk inlichten over zou kunnen verschaffen en eiseres bovendien stelt dat er sprake is van vermogensoverheveling door schenkingen aan gedaagde.

Dergelijke schenkingen kunnen volgens artikel 4:67 BW van invloed zijn op de legitieme portie.

Financiële documentatie

Eiseres vordert inzage in de financiële documentatie vanaf 2015.

Dat voert te ver omdat niet is onderbouwd waarom inzage in die documentatie vanaf 2015 nodig is voor de vaststelling van de legitieme portie.

Om vast te stellen of het vermogen van € 67.079,00 na 1 januari 2020 is geslonken door giften die van invloed zijn op de legitieme portie, heeft eiseres belang bij de afgifte van rekeningafschriften voor zover deze zien op de periode vanaf 1 januari 2020 tot het overlijden van erflater.

Daarbij volstaan de afschriften van de bankrekeningen van erflater waarop het vermogen van € 67.079,00 was verdeeld.

Wat betreft de gevorderde afschriften van de bankrekeningen van gedaagde is onvoldoende onderbouwd dat inzage daarin noodzakelijk is, waardoor een rechtmatig belang bij afgifte daarvan niet kan worden aangenomen.

Met betrekking tot de periode 1 januari 2020 tot 9 augustus 2021 worden daarom de door eiseres gevorderde bescheiden onder d) toegewezen en onder e) afgewezen.

De aangiften inkomstenbelasting zijn reeds door gedaagde in deze procedure overgelegd, waardoor de gevorderde afgifte onder b) van 4.1 wordt afgewezen.

Niet is onderbouwd hoe de gevorderde afgifte van de bankafschriften die bedoeld zijn onder h) zich verhoudt tot de afgifte van andere bankafschriften.

Onduidelijk is op welke bankrekeningen deze vordering ziet.

Daarom wordt de afgifte van deze bankafschriften als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Aangifte erfbelasting

Het bestaan van de aangifte erfbelasting die eiseres vordert onder c) van 4.1 wordt door gedaagde gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar jaaroverzichten waaruit blijkt dat ten tijde van het overlijden nauwelijks giraal vermogen meer voorhanden was.

Daarmee is voldoende aannemelijk dat er geen aangifte erfbelasting is gedaan, waardoor de gevorderde afgifte daarvan wordt afgewezen.

Ter onderbouwing van de onder a) gevorderde samenlevingsovereenkomst, stelt eiseres dat het daarin bepaalde van invloed kan zijn op het vermogen van de nalatenschap.

Daarmee gaat eiseres eraan voorbij dat de informatieplicht geen algemeen inzage recht is.

Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd waarom de samenlevingsovereenkomst van belang is voor de vaststelling van haar legitieme portie, aangezien het giraal vermogen uit financiële documentatie blijkt en de wet daarnaast een boedelbeschrijving kent in artikel 4:78 lid 2 BW.

De gevorderde afgifte van de samenlevingsovereenkomst wordt dus afgewezen.

Eiseres stelt verder dat er bezittingen zijn die tot de nalatenschap behoren, zoals de camper van het merk Hymer, een elektrische fiets en een motorboot met buitenboordmotor.

Gedaagde betwist dat zij over deze bezittingen inlichten dient te verschaffen, vanwege de overgelegde boedelbeschrijving van 27 oktober 2021 waarop geen bezittingen zijn vermeld.

Eiseres stelt dat de bezittingen mogelijk zijn verkocht en vordert afgifte van bewijsstukken met betrekking tot de verkoop van de door haar gestelde bezittingen, maar heeft daarmee niet voldoende bepaald op welke bescheiden zij doelt.

De gevorderde afgifte van de bescheiden onder f), g) en i) worden daarom afgewezen.

Dwangsom

Tegen de door eiseres gevorderde termijn van afgifte binnen vier weken en de daaraan verbonden dwangsom heeft gedaagde geen verweer gevoerd, zodat die zullen worden toegewezen.

Er bestaat echter aanleiding om de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren op de wijze zoals hierna onder de beslissing vermeld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.