De Rechtbank Gelderland heeft op 29 september 2021 uitspraak gedaan over de berekening van de legitimaire massa in verband met een verblijvingsbeding in een samenlevingscontract.
Op 8 juli 2019 is overleden de erflater.
Erflater is de vader van eisers.
Erflater heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt, zodat eisers op grond van de wet zijn erfgenamen zijn.
Eisers hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
Eisers vorderen te bepalen dat aan hen toekomt hun legitieme portie te berekenen over het gemeenschappelijke vermogen bestaande uit de saldi per datum overlijden van de bankrekeningen en de inbreng van de lening.
Erfrecht. Legitieme. Berekening van de legitimaire massa. Verblijvingsbeding. Samenlevingscontract. Schulden van de nalatenschap. Gezamenlijke bankrekening. Lening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit de stukken maakt de rechtbank op dat eisers stellen dat zij per vermogensdeel van de nalatenschap dan wel erfgenaam zijn dan wel recht hebben op hun legitieme portie.
Dat is niet het geval.
De legitieme portie wordt berekend over de legitimaire massa in zijn geheel (artikel 4:64 lid 1 BW) en niet over de losse vermogensdelen van de nalatenschap.
Hetgeen eisers verkrijgen als erfgenaam wordt vervolgens in mindering gebracht op de legitieme portie (artikel 4:71 BW).
De rechtbank begrijpt de vordering van eisers daarom zo dat eisers vorderen te verklaren dat genoemde vermogensbestanddelen onderdeel uitmaken van de legitimaire massa waarover de legitieme portie wordt berekend.
Voor het bepalen van de legitimaire massa geldt als uitgangspunt de waarde van goederen van de nalatenschap, te vermeerderen met de bij die berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.
Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder i BW zijn ontstaan (artikel 4:65 BW).
Hetgeen door gedaagde is verkregen maakt onderdeel uit van de nalatenschap van erflater.
Als gevolg van het verblijvingsbeding vindt er een opvolging van rechtsmomenten plaats.
Na het overlijden van erflater valt het vermogen dat onder het verblijvingsbeding valt eerst in de nalatenschap, en maakt daarom deel uit van de legitimaire massa.
Vervolgens zijn de erfgenamen gehouden om het verblijvingsbeding na te komen als algemene rechtsopvolgers van erflater (artikel 4:182 BW).
Er is daarmee sprake van een schuld zoals bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder i BW.
Omdat gedaagde op grond van artikel 8 lid 3 van het samenlevingscontract gevolmachtigd was om uitvoering te geven aan het verblijvingsbeding, was zij gerechtigd om het geld ter voldoening van deze schuld zelf aan de nalatenschap te onttrekken.
Door gedaagde wordt overigens ook niet betwist dat de door eisers genoemde gemeenschappelijke vermogensbestanddelen onderdeel uitmaken van de legitimaire massa.
In het onderhavige geval betekent dat dat de legitimaire massa bestaat uit het zuiver saldo van de nalatenschap, vermeerderd met hetgeen door het samenlevingscontract door gedaagde is verkregen.
Voorgaande betekent dat erflaters helft van de gemeenschappelijke bankrekeningen onderdeel uitmaakt van de legitimaire massa waarover de legitieme portie moet worden berekend, evenals de helft van de waarde van de auto en de inboedel.
De helft van de lening aan de dochter van gedaagde die blijkt uit de overboeking op 11 april 2019, valt hier ook onder.
Zoals hiervoor is overwogen, moet worden aangenomen dat die lening door erflater en gedaagde samen is verstrekt.
Gedaagde heeft dat ook erkend maar vervolgens nog wel gesteld dat deze lening is omgezet naar een schenking.
De bewijslast van die stelling rust conform artikel 150 Rv op gedaagde.
Aangezien de omzetting naar een schenking niet nader is onderbouwd, moet ervan worden uitgegaan dat het altijd een lening is gebleven.
De slotsom is dat de helft van de waarde van de bankrekeningen eindigend op 934 en 641, de helft van de waarde van de inboedel, de helft van de waarde van de auto en de helft van de waarde van de lening aan de dochter van gedaagde onderdeel uitmaken van de legitimaire massa.
De vordering zal in zoverre worden toegewezen, zij het dat wordt toegevoegd dat het gaat om de helft van de saldi op de bankrekeningen.
De andere helft is immers van gedaagde en door eisers is niet gesteld dat de helft van gedaagde onderdeel uit zou maken van de nalatenschap dan wel de legitimaire massa.
Of de legitieme portie opeisbaar is, is niet relevant.
Eisers hebben immers geen betaling van hun legitieme portie gevorderd.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.