Het Gerechtshof Den Haag heeft op 8 september 2020 uitspraak gedaan over in aanmerking te nemen giften bij de berekening van de legitieme portie.
Partijen zijn zusters van elkaar.
De moeder van partijen (hierna: erflaatster) is in 2018 overleden.
De echtgenoot van erflaatster, tevens vader van partijen, met wie erflaatster in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, is voor-overleden in 2005.
De uiterste wilsbeschikking van 2 mei 1991 van de vader hield – samengevat – een ouderlijke boedelverdeling in, waarbij alle goederen en rechten uit de nalatenschap werden toegedeeld aan erflaatster.
Aan partijen werd toegedeeld een vordering in contanten ten laste van erflaatster ten bedrage van het ieder van hen in het saldo van de nalatenschap van de vader toekomende netto erfdeel.
Uit dien hoofde hebben partijen een vordering op erflaatster, die door haar overlijden opeisbaar is geworden.
Erflaatster heeft bij haar uiterste wilsbeschikking van 8 februari 2010 appellanten uitdrukkelijk uitgesloten als erfgenamen van haar nalatenschap.
Verder heeft zij geïntimeerde, dan tevens enige erfgename, benoemd tot executeur.
Geïntimeerde heeft haar benoeming tot executeur van de nalatenschap van erflaatster aanvaard.
Bij aangetekende brief van 4 juni 2018 hebben appellanten een beroep gedaan op hun legitieme portie.
Erfrecht. Legitieme. Berekening van de legitieme portie. In aanmerking te nemen giften. Schenking. Kwijtschelding van een lening. Wettelijke rente over de legitieme.
De rechter oordeelt als volgt.
De berekening van de Legitieme portie
Appellanten hebben tevens een beroep gedaan op hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster.
Deze legitieme portie bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend (legitimaire massa), gedeeld door het aantal door de erflaatster achtergelaten personen (appellanten en geïntimeerde) zodat in casu appellanten aanspraak kunnen maken op 1/6 (1/2 x 1/3) van de legitimaire massa (artikel 4:64 lid 1 BW).
Ook wanneer een nalatenschap negatief is, kan een legitimaris – buiten de nalatenschap om – bij de begiftigden inkorten.
Nu erflaatster – zo staat tussen partijen vast – tijdens haar leven giften heeft gedaan aan geïntimeerde, kunnen appellanten met toepassing van artikel 4:89 en 4:90 BW overgaan tot inkorting van de aan geïntimeerde gedane giften.
De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met in aanmerking te nemen giften en wordt verminderd met de schulden als vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f (zie artikel 4:65 BW).
In aanmerking te nemen giften bij berekening van de legitieme
Op grond van artikel 4:67 letter d BW worden alle giften door erflaatster aan appellanten en aan geïntimeerde gedaan voor de berekening van de legitieme porties in aanmerking genomen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het kwijtschelden door erflaatster van de schuld van geïntimeerde van € 100.000,- aan haar moet worden gekwalificeerd als een schenking in de zin van artikel 7:175 lid 1 BW.
Anders dan geïntimeerde meent, dient die gift in aanmerking te worden genomen voor de waarde ten tijde van de prestatie, zijnde het moment waarop het vermogen van erflaatster door de gift is verminderd (artikel 4:66 BW).
De schuld is op 25 november 2013 kwijtgescholden.
De waarde van die gift was toen € 100.000,-, zodat deze waarde in aanmerking zal worden genomen.
Het betoog van geïntimeerde, dat deze kwijtschelding anders moet worden gewaardeerd omdat het niet een bedrag betreft dat op een bankrekening staat, snijdt geen hout en maakt (dus) de beoordeling niet anders.
De vermogensvermeerdering voor geïntimeerde is immers € 100.000,-.
Appellanten stellen dat geïntimeerde een schenking heeft ontvangen wegens het kwijtschelden van een bedrag van € 11.700,67 aan rente die geïntimeerde aan erflaatster verschuldigd was over haar resterende lening van € 100.000,- bij erflaatster ter zake de woning te A.
Zij baseren zich op de aanvullende overeenkomst van 25 maart 2012 tussen erflaatster en geïntimeerde waarin is opgenomen dat de schuldeiser (erflaatster) voornemens is om jaarlijks de (totale) over de geldlening of het niet afgeloste gedeelte daarvan door de schuldenaar (geïntimeerde) verschuldigde rente aan deze kwijt te schelden.
Geïntimeerde heeft de stellingen van appellanten gemotiveerd weersproken.
Het hof is van oordeel dat appellanten in het licht van de gemotiveerde betwisting door geïntimeerde niet hebben aangetoond dat geïntimeerde een bedrag van € 11.700,67 wegens kwijtgescholden rente is geschonken.
Appellanten constateren zelf dat geïntimeerde ook na 25 maart 2012 en tot het overlijden van erflaatster rente heeft betaald.
Onduidelijk is waarop het door appellanten overgelegde overzicht van betaalde rente is gebaseerd en waaruit zou moeten blijken dat geïntimeerde voormeld bedrag te weinig zou hebben betaald.
Bovendien volgen uit de door geïntimeerde bij brief van 18 februari 2019 overgelegde bankafschriften genoegzaam rentebetalingen van geïntimeerde op de lening die (ten onrechte) niet op het schema van appellanten voorkomen.
Gelet op het vorenstaande is de gestelde schenking ter zake kwijtschelding van rente niet komen vast te staan, zodat het hof deze niet in aanmerking neemt.
Hetgeen partijen ter zake de rentebetalingen over en weer verder naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel leidt.
Tussen partijen staat vast dat erflaatster in totaal een bedrag van € 54.822,32 aan geïntimeerde heeft geschonken.
Dit bedrag moet op grond van artikel 4:67 onder d BW juncto artikel 4:63 BW bij de legitimaire massa worden opgeteld.
Appellanten stellen dat erflaatster geïntimeerde een bedrag van € 5.400,- heeft geschonken om daarvan een caravan te kopen.
Volgens geïntimeerde had zij de opdracht van erflaatster de caravan namens erflaatster te kopen en diende zij de koopsom in contanten van haar eigen rekening op te nemen, nadat die koopsom eerst van de rekening van erflaatster op die rekening was gestort.
Geïntimeerde verwijst naar het overgelegde bankafschrift.
Het hof is van oordeel dat appellanten in het licht van de gemotiveerde betwisting door geïntimeerde niet hebben aangetoond dat ter zake de storting van het bedrag voor de caravan sprake is geweest van een schenking aan geïntimeerde.
Ook het bedrag van € 5.400,- blijft derhalve buiten beschouwing.
Wettelijke rente over de legitieme
Appellanten wensen over hun vordering ter zake de legitieme portie de wettelijke rente te ontvangen, te rekenen vanaf 10 september 2018 tot de dag der algehele voldoening.
Er is pas wettelijke rente verschuldigd wanneer geïntimeerde in verzuim is.
Hierop zijn de artikelen 6:81 en 6:119 BW van toepassing.
Eerst bij akte vermeerdering van eis van 20 februari 2019 worden de legitieme porties gevorderd met daarover de wettelijk rente.
Naar het oordeel van het hof is dit te beschouwen als een ingebrekestelling.
Het hof zal de gevorderde wettelijk rente dan ook toewijzen vanaf 20 februari 2019.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.