Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 18 april 2017 uitspraak gedaan over het opeisen van de legitieme. Erfgenaam beroept zich op legitieme vanwege giften aan kleinkinderen. Inbrengplicht? Berekening legitieme portie.
Appellante is de dochter en een van de vier erfgenamen van erflaatster, die is overleden op 27 mei 2014. Erflaatster had een laatste) testament gemaakt op 15 februari 2007. Daarbij werd de broer van appellante, de andere broer van appellante benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Appellante heeft als erfgenaam uit de afwikkeling van de nalatenschap 25% daarvan ontvangen, te weten € 27.934,00.
Erflaatster heeft zes kleinkinderen. Op 1 maart 2013 heeft erflaatster aan haar zes kleinkinderen ieder € 2.000,00 geschonken door middel van een overboeking van dat bedrag op hun respectieve bankrekeningen. Op 24 februari 2014 heeft zij nogmaals een bedrag overgemaakt op dezelfde bankrekeningen van haar zes kleinkinderen; de overboekingen bedroegen telkens € 1.000,00.
Legitieme. Giften en inbrengplicht. Berekening legitieme portie
Appellante wenst aanspraak te maken op haar legitieme portie en stelt daartoe dat de giften aan de kleinkinderen ad in totaal € 18.000,00 dienen te worden ingebracht. Zij heeft van de overige erfgenamen een bedrag van € 2.250,00 gevorderd, 1/8e deel van € 18.000,00. De overige erfgenamen hebben dit bedrag niet betaald en de vordering in eerste aanleg voor de kantonrechter bestreden.
De rechtbank heeft de vordering afgewezen op grond van de overweging dat enerzijds in artikel 4:67 aanhef en onder d BW is bepaald dat giften in aanmerking worden genomen indien de door de erflater gedane giften aan een afstammeling worden gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is en anderzijds kleinkinderen geen legitimarissen zijn, waaruit volgt dat de aan de kleinkinderen gedane giften – anders dan de eisende partij stelt – niet in aanmerking genomen dienen te worden bij de berekening van de legitieme portie. Tegen dit oordeel komt appellante op met haar grief, die inhoudt dat de rechtbank ten onrechte artikel 4:67 aanhef en sub d BW toepasselijk heeft geacht.
Het hof oordeelt als volgt. De legitieme portie van appellante wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap ten tijde van het overlijden, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW (artikel 4:65 BW), hierna ook de legitimaire massa.
De legitieme portie van appellante is op grond van artikel 4:64 BW 1/4e van de helft van deze legitimaire massa. De waarde van giften, door de erflaatster aan de legitimaris gedaan, en van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme portie (artikel 4:70 en 4:71 BW). Hetgeen dan resteert is de legitimaire aanspraak. Ter zake van deze legitimaire aanspraak kan de legitimaris een vordering verkrijgen op de gezamenlijke erfgenamen dan wel op een of meer begiftigden (artikel 4:79 BW).
Ingevolge artikel 4:67 BW worden bij de berekening van de legitimaire massa de volgende door de erflater gedane giften in aanmerking genomen:
(….)
- giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is;
- andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied.
Giften aan kleinkinderen worden niet begrepen onder d want zij zijn geen legitimarissen, zoals de rechtbank op zich terecht heeft overwogen. Giften aan kleinkinderen vallen onder e, zoals appellante terecht aanvoert. In het onderhavige geval zijn die giften gedaan in 2013 en 2014, dus binnen de termijn van vijf jaren voor het overlijden van erflaatster.
Veronderstellenderwijs aannemende dat die giften van € 2.000,00 en € 1.000,00 niet als gebruikelijk zijn te beschouwen in de zin van artikel 4:69 BW (het hof kan een beslissing daaromtrent in het midden laten), dienen die giften inderdaad bij de berekening van de legitimaire massa te worden betrokken. Die berekening is dan de volgende. Uitgaande van het feit dat appellante net als de andere drie erfgenamen € 27.934,00 heeft ontvangen, bedroeg de nalatenschap dus € 111.736,00. Vermeerderd met de giften aan de kleinkinderen bedraagt de legitimaire massa € 111.736,00 plus € 18.000,00 = € 129.736,00. Dat betekent dat de legitieme portie voor appellante bedraagt een kwart van de helft daarvan, dus een kwart van € 64.868,00 = € 16.217,00.
Van de legitieme portie komt op de voet van artikel 4:71 BW in mindering de waarde van al hetgeen appellante krachtens erfrecht verkrijgt, hetgeen dus € 27.934,00 is. De legitieme portie is derhalve € 16.217,00 min € 27.934,00 = € 11.717,00 negatief. Dat betekent dat appellante geen enkele legitimaire aanspraak heeft. Hierom moet de vordering van appellante in elk geval worden afgewezen. Het overigens verhandelde behoeft geen bespreking meer.
De slotsom is dat het vonnis waarvan appel zal worden bekrachtigd, zij het op andere gronden.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de kosten van het hoger beroep tussen hen worden gecompenseerd.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over giften en de inbrengplicht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.