Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 28 maart 2017 uitspraak gedaan over de vaststelling van de vordering op de nalatenschap inzake de wettelijke verdeling, over zuivere aanvaarding, over de vaststelling van de legitieme portie en rentevergoeding.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Appellant, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 zijn de kinderen van erflater (de vader) en erflaatster (de moeder) die buiten iedere gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vader is overleden op 7 november 2008 zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt, zodat de moeder ingevolge de wettelijke verdeling alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen en de kinderen een vordering op de moeder hebben gekregen ter grootte van ¼ deel van de nalatenschap van de vader. Vervolgens is op 2 september 2012 de moeder overleden. Zij heeft bij uiterste wilsbeschikking appellant onterfd, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 tot haar enige erfgenamen benoemd en geintimeerde sub 1 tot executeur.

Appellant heeft bij brief van 19 oktober 2012 zijn vordering in de nalatenschap van de vader opgeëist en tegelijkertijd een beroep op zijn legitieme portie in de nalatenschap van de moeder gedaan en verzocht om een boedellijst, inzage in de administratie vanaf het moment van overlijden van de vader tot datum brief en te kennen gegeven dat de waarde van de woning en eventueel de garage moeten worden vastgesteld.

Geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 hebben blijkens een daartoe op 13 februari 2013 opgemaakte akte ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, verklaard dat zij de nalatenschap van de moeder beneficiair hebben aanvaard. Geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 hebben zich op het volgende standpunt gesteld. Aangezien de schulden de baten van deze nalatenschap overtreffen, is als gevolg daarvan de executele beëindigd en treden de gezamenlijke erfgenamen samen als vereffenaars op. Daardoor rijst de vraag of appellant geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 niet ook in hun hoedanigheid van vereffenaar had moeten dagvaarden. De beoordeling van de hoedanigheid van een procespartij is van openbare orde en komt in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid aan de orde. Appellant heeft geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 in beginsel pro se gedagvaard en niet in hun hoedanigheid van vereffenaar, hetgeen wel had gemoeten (artikel 4:198 BW).

Het hof is van oordeel dat partijen over en weer geen rechtens te respecteren belang hebben bij een niet-ontvankelijkverklaring. Nu geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 zowel de enige erfgenamen als de enige vereffenaars zijn en het gezag van gewijsde van een beslissing van het hof zich tot hen als erfgenamen en als vereffenaars uitstrekt zal het hof in navolging van de uitspraak van de Hoge Raad (HR:2016:721) appellant ontvankelijk achten in zijn vorderingen.

In de nalatenschap van de vader is aan appellant, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 op respectievelijk 5 april 2013 en op 7 november 2013 steeds € 50.000,- als voorschot op hun vordering op hun moeder overgemaakt.

Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder. Deze geschillen betreffen kort samengevat de hoogte en betaling van de vordering van appellant inzake de nalatenschap van de vader, de hoogte en betaling van de legitieme portie in de nalatenschap van de moeder, de vraag of geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 de nalatenschap van hun moeder door gedragingen zuiver hebben aanvaard en de inzage en afgifte van afschriften van stukken betreffende de goederen behorende tot de nalatenschappen van de vader en van de moeder.

Grief 1 ziet op de overwegingen van de rechtbank in het vonnis van 9 juli 2014 dat appellant de weg van artikel 4:15 Burgerlijk Wetboek (BW) had moeten bewandelen om de vordering in de nalatenschap van erflater vast te stellen en naar het hof begrijpt ook het daaraan verbonden gevolg dat de rechtbank bij gebreke daarvan zal uitgaan van de gegevens zoals opgenomen in de successieaangifte in de nalatenschap van de vader. Appellant maakt in dit kader ook bezwaar dat de rechtbank deze kwestie niet naar de kantonrechter heeft verwezen.

Grief 2 ziet op de ten overvloede overwegingen betreffende de stellingen van appellant over de verhoging van zijn erfdeel in de nalatenschap van zijn vader en is in zoverre van belang, dat deze een (subsidiair) dragende grond voor de beslissing van de rechtbank vormden. De grieven 1 en 2 strekken ertoe toe dat het hof alsnog appellants vordering in de nalatenschap van de vader vaststelt.

Het hof stelt voorop dat appellant inderdaad de weg van artikel 4:15 BW had moeten bewandelen en dat de rechtbank met toepassing van de artikelen 69 en 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) had moeten bepalen dat de procedure voor dit onderdeel van het geschil zou worden voortgezet volgens de regels van de verzoekschriften procedure en wel ten overstaan van de kantonrechter. Artikel 4:15 BW is van toepassing indien na het overlijden van een echtgenoot op diens nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is. Dat daarna de langstlevende echtgenoot ook overlijdt alvorens de vordering is vastgesteld doet daaraan niet af.

De regeling van artikel 69 Rv geldt ook in hoger beroep en kan worden toegepast op elk moment in het geding. Nu echter een eindbeslissing zal volgen, is er geen aanleiding meer voor verwijzing op grond van artikel 69 Rv.

Ingevolge artikel 71 vijfde lid Rv staat tegen het uitblijven van een verwijzing van de sector civiel naar de sector kanton (dus van de ene naar de andere kamer) van de rechtbank geen hogere voorziening open. In zoverre faalt grief 1. Dit geldt echter niet voor het daaraan verbonden gevolg dat de rechtbank zal uitgaan van de gegevens zoals opgenomen in de successieaangifte. Naar het oordeel van hof heeft de rechtbank ten onrechte in die zin geoordeeld, zodat het hof alsnog over deze vordering van appellant zal oordelen. Het hof komt alsdan niet toe aan grief 2. Volledigheidshalve zal het hof de argumenten van appellant onder grief 2 betrekken bij de beoordeling.

De grief van appellant betreffende de vaststelling van zijn vordering in de nalatenschap van de vader ziet op:

– de waarde van de woningen;

– de waarde van de aandelen in de B.V.;

– het buiten beschouwing laten van de waarde van de inboedel; en

– de waarde en verrekening van de geldlening.

Het hof zal, zoals appellant heeft gedaan, de gecorrigeerde successieaangifte in de nalatenschap van de vader als uitgangspunt nemen en zijn bezwaren daartegen hieronder achtereenvolgens beoordelen. Daarbij geldt als uitgangspunt artikel 4:6 BW dat bepaalt dat onder waarde van de goederen van de nalatenschap wordt verstaan, de waarde daarvan op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.

Appellant stelt kort samengevat dat de waarde van € 550.000,- in de successieaangifte niet zonder meer gelijk is aan de civielrechtelijke waarde van de woning en dat nu in de aangifte de WOZ waarde, de waarde van een jaar daarvoor is gehanteerd, moet worden aangeknoopt bij de waarde waarvoor de woning kort na het overlijden van de vader is verkocht, dat is € 600.000,- in augustus 2009.

Het hof gaat hieraan voorbij. Ten eerste op grond van het bepaalde in artikel 4:6 BW. Zoals hiervoor overwogen, geldt immers de waarde op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. Ten tweede omdat appellant de met stukken onderbouwde stellingen van geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 dat er aan de woningen achterstallig onderhoud is verricht en kosten zijn gemaakt om de koopprijs van € 600.000,- te kunnen realiseren onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Ten derde omdat hij de stellingen van geintimeerde sub 1 , geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 over de wijze waarop de waarde destijds is vastgesteld niet heeft betwist. Geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 hebben zich beroepen op de correspondentie met de belastingdienst. Daaruit blijkt dat niet de WOZ-waarde aan de waarde van € 550.000,- ten grondslag lag maar een tijdens het overlijden van de vader bestaand bod van een bieder die is afgehaakt wegens achterstallig onderhoud en voorts dat voorafgaand aan dit bod in het voorjaar van 2009 een verkoop en levering voor een bedrag van € 450.000,- niet is doorgegaan, omdat die koper de financiering niet rond kreeg. Het hof acht een waarde van € 550.000,- dan ook reëel en zal deze in aanmerking nemen bij de vaststelling van de vorderingen in de nalatenschap van de vader. Het hof komt niet toe aan het bewijsaanbod, nu appellant] daarvoor te weinig heeft gesteld.

Appellant stelt kort samengevat dat de waarde van de aandelen van de B.V. dient te worden verhoogd met minimaal € 45.773,-. Hij licht dit toe als volgt. Uit de jaarstukken van deze vennootschap van 2008 blijkt dat de vennootschap een bedrag van € 15.000,- aan voorraden had en een bedrag van € 30.773,- aan vorderingen. Daar staat tegenover dat de vader een vordering had op de vennootschap van € 80.334,-. Bij de liquidatie van de vennootschap moet het bedrag aan voorraad en vorderingen aan de nalatenschap van de erflater ten goede zijn gekomen. Geintimeerde sub 1 zal uitleg moeten geven over de toename van de overige reserves in 2008 van € 24.773,- naar € 95.860-.

Geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 stellen onder verwijzing naar de jaarstukken van de vennootschap van 2008 dat de waarde van de aandelen nihil was.

Het hof volgt de berekening van appellant niet. Ook hier geldt het bepaalde in artikel 4:6 BW, zodat in aanmerking dient te worden genomen de waarde van de aandelen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de vader op 7 november 2008. Uit de in de procedure overgelegde balans per 31 december 2008 met toelichting blijkt dat de vennootschap per 31 december 2008 aan voorraden had € 15.000,- en aan vorderingen € 30.773,- (inclusief € 29.787,- in rekening courant op de erflater) en daarnaast een som negatief eigen vermogen van € 77.860,-. Op grond hiervan mag worden aangenomen dat de waarde van de aandelen zelf per de peildatum nihil was. Anders dan [appellant] heeft betoogd is er geen reden om op de waarde van de aandelen correcties toe te passen in verband met de voorraden en de vordering van de aandeelhouder op de vennootschap van € 80.334,- per 1 september 2009 zoals blijkt uit de liquidatiebalans per die datum. Zeker niet nu de moeder in de periode na het overlijden als directeur van de B.V. is opgetreden en namens deze vennootschap heeft gehandeld.

Naar het oordeel van het hof gaat appellant er ten onrechte van uit dat geintimeerde sub 1 nadere informatie dient te verschaffen. Het gaat hier om de vordering in de nalatenschap van de vader, waarin appellant samen met geintimeerde sub 2, geintimeerde sub 3 en de moeder erfgenamen waren. Geintimeerde sub 1 was slechts executeur in de nalatenschap van de moeder waartoe geen aandelen in de B.V. behoren. Het bepaalde in artikel 4:78 BW is te dezen niet van toepassing.

Appellant wijst in de dagvaarding op een groot aantal zaken van de inboedel die volgens hem een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen en waarvan een groot deel door de vader is aangebracht bij het huwelijk dan wel door hem verzameld. Hij betwist dat de moeder postzegels en munten verzamelde. Hij stelt dat deze zaken althans de helft daarvan behoren/behoort tot de nalatenschap van de erflater en beroept zich op de akte van huwelijkse voorwaarden. Hij is van mening dat de rechtbank deze zaken in de nalatenschap van de vader had moeten betrekken voor de bepaling van zijn vordering.

Geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 betwisten dat de opgesomde goederen tot de nalatenschap van de vader behoorden en ook dat die zaken aanwezig waren.

Vaststaat dat ten tijde van het overlijden van de moeder tot haar nalatenschap behoren een postzegel- en muntenverzameling. Geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 betwisten niet dat de moeder geen postzegels en munten verzamelde. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat deze ook ten tijde van het overlijden van de erflater aanwezig waren en dat deze tot zijn nalatenschap behoorden. Geen van de betrokkenen heeft gesteld wat de waarde hiervan was ten tijde van het overlijden van de vader. Het hof stelt de waarde in redelijkheid op de helft van de in verband met het overlijden van de moeder gerealiseerde waarde, zodat de vordering van elk van de kinderen dient te worden gecorrigeerd met een/vierde van (1/2 (€ 562,- + € 10.762,- =) € 11.324,-) of afgerond € 1.415,-.

Het hof kan mede gelet op de betwisting door geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 niet vaststellen of de door appellant opgesomde goederen, behoudens de postzegel- en muntenverzameling, aanwezig waren ten tijde van het overlijden van de vader, laat staan dat deze tot zijn nalatenschap behoorden en voor welke waarde. Daartoe is te weinig aangevoerd. De bepaling in de huwelijkse voorwaarden waarop appellant zich beroept ziet op een bewijsvermoeden met betrekking tot goederen waarvan de aanwezigheid vaststaat. Om die reden gaat het hof aan de stellingen van [appellant] voorbij.

Het hof zal nu eerst de grieven ten aanzien van de vaststelling van de legitieme portie in de nalatenschap van de moeder beoordelen en vervolgens vaststellen in hoeverre de vordering in de nalatenschap van de vader kan worden uitbetaald.

De grieven onder 3 tot en met 15 zien op de vaststelling van de legitieme portie in de nalatenschap van de moeder. Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 BW in samenhang met artikel 4:65 BW voor de berekening van de legitieme portie moet worden uitgegaan van de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de moeder en dat het daarbij gaat om de waarde in het economisch verkeer.

Grief 3 ziet op de vaststelling van de waarde van de inboedel op € 2.300,-. [appellant] stelt dat de rechtbank gelet op zijn gemotiveerde betwisting niet had mogen uitgaan van de door geintimeerde sub 1 gestelde waarde van de inboedel en geintimeerde sub 1 had moeten verplichten de inboedel te laten taxeren door een erkend taxateur.

Het hof overweegt als volgt. Geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 hebben aangevoerd dat de erfgenamen de nalatenschap van de moeder beneficiair hebben aanvaard en dat vanwege het negatieve saldo de taken van de executeur zijn beëindigd. Geintimeerde sub 1 is vanaf 8 februari 2013 opgetreden als gevolmachtigde van de erfgenamen. Er was op die grond dan ook geen reden om geintimeerde sub 1 te verplichten de inboedel te laten taxeren. Ook op de erfgenamen rust geen verplichting om goederen te laten taxeren. Zeker niet nu volgens de erfgenamen de schulden door de vorderingen in de nalatenschap van de vader de waarde van de activa in de nalatenschap van de moeder overtreffen. Ter uitoefening van zijn rechten als legitimaris staat/stond appellant als legitimaris een aantal rechtsmiddelen ten dienste, onder meer de mogelijkheden van de artikelen 4:78 lid 2 BW, 4:203 en 4:204 BW e.v., de artikelen 660, 672 en 674 Rv. Dat appellant deze middelen niet te baat heeft genomen, komt voor zijn eigen rekening.

Naar het oordeel van het hof is de rechtbank op goede gronden uitgegaan van een waarde van de inboedelgoederen van € 2.300,-. Niet is komen vast te staan dat zich te midden van de inboedel dermate bijzondere goederen bevonden dat deze waarde nog met enig bedrag dient te worden verhoogd. De erfgenamen hebben evenals de legitimaris belang bij een zo hoog mogelijk opbrengst. Zij hebben een deel van de inboedel naar de Gemeentewerf afgevoerd, een deel verkocht en een deel opgeslagen. De opbrengst van de verkoop is verantwoord en appellant is de gelegenheid geboden de in de garage opgeslagen goederen om niet mee te nemen. Weliswaar heeft appellant het recht om zijn legitieme in geld te ontvangen, maar ook hierin ziet het hof een aanwijzing dat deze goederen geen bijzondere waarde vertegenwoordigen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat appellant onvoldoende heeft gesteld om uit te gaan van de waarde van de inboedel en de totaalopbrengst van het door hem overgelegde overzicht. Hij heeft onvoldoende onderbouwd waarom de door geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 verstrekte overzichten met betrekking tot de inboedel onjuist zouden zijn. Hij heeft de foto’s waarop hij zich beroept niet overgelegd en de waarde die hij aan de respectieve inboedelgoederen toekent, kan niet als reëel worden beschouwd. Elke objectieve onderbouwing van deze waarde ontbreekt. In de regel daalt de waarde van eenmaal gekochte inboedelgoederen direct na de aanschaf sterk en valt bij verkoop aan derden geen prijs te realiseren die in de buurt komt van de nieuwwaarde. Grief 3 faalt.

Grief 4 betreft de niet verbeurdverklaring van de postzegelverzameling en de sieraden in het vonnis van 21 januari 2015 op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW. Volgens appellant had dit wel gemoeten, omdat beide niet op de boedelbeschrijving bij de brief van 22 april 2013 staan vermeld. Voor een geslaagd beroep op artikel 3:194 lid 2 BW is vereist dat een deelgenoot opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt, of verborgen houdt. Naar het oordeel van het hof heeft appellant tegenover de gemotiveerde betwisting door geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 niet onderbouwd dat hiervan sprake is. Allereerst geldt dat appellant geen deelgenoot is in de nalatenschap van zijn moeder, zodat een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW hem niet kan baten. Uit de overgelegde stukken en de verklaringen (zie onder meer het proces-verbaal in eerste aanleg) blijkt verder dat het overzicht waarnaar appellant verwijst een voorlopig overzicht betreft en dat geintimeerde sub 3 uit veiligheidsoverwegingen de sieraden thuis heeft bewaard. Noch hieruit noch uit de discussie over de waarde kan enig opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden worden afgeleid. Grief 4 faalt.

Grief 6 ziet op het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 21 januari 2015, dat geintimeerde sub 1 met het overleggen van bankafschriften heeft voldaan aan hetgeen verwacht mag worden in het kader van een verantwoorde vermogensopstelling. Hetgeen het hof heeft overwogen over de hem ter beschikking staande middelen als legitimaris geldt ook in dezen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat appellant geen concrete feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan de vraag gewettigd is of geintimeerde sub 1 de betreffende zaken wel allemaal ter veiling heeft gebracht, zodat ook het hof ervan uitgaat dat geintimeerde sub 1 zulks heeft gedaan. Dat niet elke fles wijn, postzegel of munt bij naam en toenaam is genoemd doet hieraan niet af. Anders dan appellant stelt verplicht artikel 4:78 BW de erfgenamen slechts tot het verstrekken van informatie nodig voor de berekening van zijn legitieme portie (zie onder meer GHARL:2011:BU9640) en niet tot het afleggen van rekening en verantwoording (GHDHA:2014:2987). Het hof is eveneens van oordeel dat uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ in artikel 4:78 BW moet worden afgeleid dat dit begrip zo ruim mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie en dat de informatieplicht van artikel 4:78 BW geen verplichting inhoudt tot het afleggen van rekening en verantwoording. De verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording veronderstelt immers een rechtsverhouding tussen partijen krachtens welke de een jegens de ander verplicht is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen. Een dergelijke rechtsverhouding ontbreekt tussen de erfgenamen en de legitimaris. Deze grief faalt.

In Grief 8 betoogt appellant onder verwijzing naar zijn producties bij dagvaarding dat de rechtbank ten onrechte slechts een bedrag van € 20.750,- aan schenkingen in de vermogensopstelling heeft opgenomen. Hij stelt dat geintimeerde sub 1, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 voor een groot deel van deze bedragen geen weerwoord hebben kunnen geven. Appellant maakt slechts beperkt inzichtelijk op welke bedragen hij doelt. Het hof neemt dan ook de motivering van de rechtbank over die ziet op alle posten en maakt deze tot de zijne met dien verstande dat het hof anders dan de rechtbank de schenkingen aan appellant, geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 van elk € 4.500,- wel meetelt voor de berekening van de legitieme ongeacht dat elk een gelijk bedrag heeft ontvangen, omdat het enkele gegeven dat ieder deze heeft ontvangen, geen grond vormt deze buiten beschouwing te laten.

Daarnaast oordeelt het hof nog als volgt. Niet valt in te zien dat een uitgave voor herenkleding enkel op die grond als gift bij de berekening van de legitimaire massa moet worden meegenomen, nog daargelaten dat het hof deze factuur niet bij de stukken heeft aangetroffen. Geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 hebben gesteld dat de ouders voor elk van de kinderen de kosten van de bruiloft hebben voldaan. Appellant heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Te meer nu appellant niet heeft gesteld om welk bedrag het gaat, zal het hof de giften ter zake van de bruiloften buiten beschouwing laten. Deze zouden ook op grond van artikel 4:69 lid 1, onder b BW het buiten beschouwing blijven nu het gebruikelijke schenkingen betreft uitgaande van de stand van het vermogen van de ouders. Voor zover al zou vaststaan dat de overige kleine bedragen toch als een schenking zouden moeten worden aangemerkt – daartoe heeft appellant gelet op de gemotiveerde betwisting door geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 te weinig gesteld – vallen deze eveneens onder het bepaalde in artikel 4:69 lid 1, onder b BW, zodat deze ook op deze grond buiten beschouwing moeten worden gelaten.

Appellant komt in grief 9 op tegen de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van zuivere aanvaarding. Hij beroept zich op het overzicht van betalingen dat grotendeels betrekking heeft op de periode na het overlijden van de moeder en voor de akte van beneficiaire aanvaarding.

Geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 hebben onder meer gesteld hooguit handelingen van beheer te hebben verricht en dan nog (meestentijds) op verzoek of in opdracht van geintimeerde sub 1 als aangesteld executeur. Zij stellen op verzoek/in opdracht van geintimeerde sub 1 met behulp van derden werkzaamheden betreffende de ontruiming van de woning van de erflater te hebben verricht in welk verband een eenvoudige maaltijd is genuttigd van € 51,55. Daarnaast is er nog een tweetal afschrijvingen van € 100,- waarvoor geen concrete verklaring bestaat, en een post geintimeerde sub 2, plastic bak munten € 37,81.

De Hoge Raad heeft op 20 juni 2014 (HR:2014:1489) overwogen:

“Een erfgenaam kan een nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving (art. 4:190 lid 1 BW). Een eenmaal gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap (art. 4:190 lid 4 BW). Zuivere aanvaarding van een nalatenschap kan niet alleen uitdrukkelijk geschieden (art. 4:191 lid 1 BW), maar ook stilzwijgend (art. 4:192 lid 1 BW), dat laatste doordat een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedraagt als een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.

In de T.M. bij art. 4:192 BW (Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 932) is onder meer opgemerkt dat het enige wat nodig is om van stilzwijgende aanvaarding van een nalatenschap te kunnen spreken, is dat de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als erfgenaam gedraagt. In de MvA II bij deze bepaling (Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 933-934) is onder meer opgemerkt dat van zuivere aanvaarding geen sprake is indien de erfgenaam daden van beheer verricht. Van zuivere aanvaarding is wél sprake indien de erfgenaam over de goederen van de nalatenschap als heer en meester beschikt of wanneer hij, eventueel in een andere vorm dan een verklaring ter griffie, duidelijk aan de schuldeisers van de nalatenschap doet blijken dat hij de schulden van de nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt. Wanneer er twee of meer erfgenamen zijn, hangt het in beginsel van de gedragingen van iedere erfgenaam afzonderlijk af of hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. In zijn beschikking van 26 april 1968, NJ 1969/322, heeft de Hoge Raad overwogen dat het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de erfenis stilzwijgend te aanvaarden, afhangt van de omstandigheden van het geval.”

Voor de beantwoording van voormelde vraag acht het Hof de volgende omstandigheden van belang. Geintimeerde sub 1 is tot executeur benoemd in de nalatenschap van de erflaatster en had in die hoedanigheid het beheer en de beschikking over de goederen van de nalatenschap en recht op loon, dat tezamen met de door hem gemaakte kosten ten laste van de nalatenschap komt. Hij heeft de benoeming aanvaard en, naar appellant niet heeft betwist, bij de uitoefening van zijn taak geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 verzocht/opgedragen handelingen ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap te verrichten, die daartoe zijn overgegaan. Uit deze opdrachten/ handelingen zijn kosten voortgevloeid die ten laste van de nalatenschap zijn gekomen. Geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 stellen, onbetwist, op de bewuste data geen bedragen tot zich te hebben genomen. Het gaat om geringe bedragen afgezet tegen de activa met een saldo destijds voorlopig gesteld op € 497.925,- en de eigen vorderingen van de kinderen voorlopig vastgesteld op € 192.593,-. In het licht van deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat uit de gedragingen van geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 kan worden afgeleid dat zij de bedoeling hebben gehad de nalatenschap van hun moeder zuiver te aanvaarden of dat zij zich door het verrichten van de gewraakte gedragingen ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen hebben gedragen.

Overigens heeft appellant geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden, die indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

De grieven 10, 11 en 12 richten zich tegen de afwijzing van het beroep van appellant op artikel 4:184 lid 2 aanhef en onder b, c en d BW.

Het hof sluit ten aanzien van artikel 4:184 lid 2 aanhef en onder b BW aan bij de motivering van de rechtbank en neemt deze over en maakt deze tot de zijne. Partijen hadden en hebben nog steeds een geschil over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. In dat kader heeft de betaling langer geduurd. Daarom kan niet worden geoordeeld dat geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 de voldoening van de schuld hebben verhinderd en dat hun daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

Anders dan appellant classificeert het hof de handelingen van geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 betreffende de sieraden en de inboedel niet als daden van zuivere aanvaarding. De opmerking bepaalde sieraden te willen ontvangen, dient gelet op de vordering van geintimeerde sub 3, worden gezien als een wens om deze in mindering op haar vordering te ontvangen. Het veiligstellen van goederen leidt niet tot zuivere aanvaarding en de verkoop van goederen in opdracht van de executeur of in het kader van de vereffening evenmin. Het hof verwijst in dit kader ook naar hetgeen hierover is overwogen. Het bepaalde in artikel 4:184 aanhef en onder c BW is derhalve niet van toepassing.

Voor een geslaagd beroep op artikel 4:184 lid 2, aanhef en onder d BW is vereist dat de vereffenaar in de vervulling van zijn verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Hiervan is geen sprake wanneer bij vergissing of uit onwetendheid verplichtingen niet worden nageleefd (MvA, Parl Gesch. Boek 4 BW, p. 897). In dit licht bezien heeft appellant niet aan zijn stelplicht voldaan. Het enkele feit dat de erfgenamen/vereffenaars de melding van artikel 4:199 lid 2 BW niet hebben voldaan rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan. Ook de grieven 10, 11 en 12 falen.

Grief 13 is gericht tegen de afwijzing van een rentevergoeding vanaf 2 september 2012. Daartoe is het volgende van belang. Over de vordering is eerst wettelijke rente verschuldigd als geintimeerde sub 3 en geintimeerde sub 2 in verzuim zijn, nadat zij in gebreke zijn gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij aan hen een redelijke termijn is gesteld voor de nakoming en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Appellant heeft zijn vordering in de nalatenschap van de vader opgeëist bij zijn brief van 19 oktober 2012. Bij brief van 19 februari 2013 heeft appellant bij monde van zijn advocaat geintimeerde sub 3 en geintimeerde sub 2 gesommeerd tot uitbetaling van de vordering althans een voorschot daarop binnen 10 dagen en meegedeeld indien hiertoe niet wordt overgegaan een dagvaarding te zullen uitbrengen. Geintimeerde sub 3 en geintimeerde sub 2 hebben de nalatenschap van hun moeder beneficiair aanvaard, zodat de regels van vereffening in boek 4 van toepassing zijn. Bepalingen van de Faillissementswet (FW) zijn voor zoveel mogelijk van toepassing. Het hof zal hierbij aansluiten zoeken, nu voor de vereffening een specifieke regeling ontbreekt. Op grond van artikel 128 FW kunnen schuldeisers in een faillissement in beginsel opkomen voor het bedrag dat zij op dat moment van de faillietverklaring te vorderen hebben. Analoge toepassing van deze bepaling leidt ertoe dat vanwege de toepassing van de wettelijke vereffening en het feit dat de omvang van de nalatenschap negatief is, geen wettelijke rente in rekening kan worden gebracht/verschuldigd is. Het hof ziet daarom net als de rechtbank aanleiding de wettelijke rente buiten beschouwing te laten, zodat het slagen van deze grief in zoverre niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen.

Grief 14 ziet op de berekening van de legitimaire massa in het vonnis van 17 juni 2015.

De legitieme portie van appellant bedraagt 1/6 deel daarvan of € 3.071,-. Op grond van artikel 4:70 BW komen de waarde van giften gedaan aan een legitimaris in mindering van diens legitieme. Indien voormeld bedrag van € 3.071,- wordt verminderd met de schenking € 4.500,-, heeft appellant niets meer te vorderen, zodat geen recht bestaat op een rentevergoeding. Ook indien de vermindering van de gift niet zou plaatsvinden, zou geen recht bestaan op een rentevergoeding. De inflatiecorrectie van artikel 4:84 BW is niet van toepassing, omdat de wettelijke rente niet hoger is geweest dan zes procent. Overigens bestaat slechts recht op vergoeding van de wettelijke rente volgens de regels van boek 6 BW indien de schuldenaren jegens de legitimaris in verzuim zijn. Daartoe is nu de nalatenschap van de moeder negatief is, vereist een verklaring op de voet van artikel 4:90 BW jegens de begiftigden. Niet is gesteld of gebleken dat daaraan is voldaan.

Ieder van de erfgenamen in de nalatenschap van de vader deelt naar evenredigheid van zijn vordering in de schulden van de nalatenschap van de moeder. Dat betekent dat geintimeerde sub 2 en geintimeerde sub 3 ieder € 190.867,-/€ 545.376,- x € 15.822,- of voor € 5.537,- en appellant voor € 163.642,-/€ 545.376,- x € 15.822,- of voor € 4.747,- bijdraagt in het tekort. Om die reden dient de vordering van appellant van € 163.642,- na aftrek van zijn voorschot van € 100.000,– te worden verminderd met € 4.747,-, met zijn aandeel in de kopieerkosten € 119,- en een schuld aan [appellant] van € 2.723,-, zodat resteert te ontvangen: € 56.053,-. Dit bedrag dient nog te worden verminderd met de vordering als toegewezen door de rechtbank € 52.622,-, zodat het hof alsnog zal toewijzen een bedrag van € 3.431,-.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling en afwikkeling van een erfenis, over het opvragen van het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.