Op 2 september 2015 was bij de rechtbank Midden-Nederland een casus aan de orde met stiefkinderen en één eigen kind.
Erflaatster heeft één dochter. Deze dochter is samen met drie stiefkinderen en één stiefkleinkind benoemd tot erfgenaam, ieder voor gelijke delen. Er zijn dus vijf erfgenamen. Het zuivere saldo van de nalatenschap is afgerond € 67.707. Ieder van de erfgenamen is gerechtigd tot € 13.541.
Daarnaast hebben alle erfgenamen bij leven van erflaatster een schenking gekregen van € 22.500.
De eigen dochter doet een beroep op haar legitieme. De rechtbank berekent eerst die legitieme portie. De legitimaire massa is € 67.707, vermeerderd met de schenkingen van vijf maal € 22.500. De legitimaire massa is dus € 180.207 (zie ook de pagina “Wat is de legitieme portie” op deze website).
Het breukdeel van de legitieme portie is 1/2 omdat de dochter de enige erfgenaam is uit de eerste categorie (art. 4:10 lid 1 sub a). De legitieme portie van de dochter is dus d helft van de legitimaire massa: € 90.103. Na aftrek van haar verkrijging krachtens erfrecht (€ 13.541 en haar gift € 22.500) blijft een legitimaire aanspraak van € 54.062 over.
Het is duidelijk dat de nalatenschap ontoereikend is om de legitimaire aanspraak van de dochter te voldoen en de erfdelen van de stiefkinderen en het stiefkleinkind. Wie moet er dan betalen?
De hoofdregel is dat testamentaire makingen worden ingekort, dus dat in dit geval bij de stiefkinderen en het stiefkleinkind wordt ingekort. Echter, in artikel 4:91 lid 1 BW is bepaald dat stiefkinderen alleen kunnen worden ingekort als de totale waarde van de makingen en giften die zij ontvangen meer dan twee keer zo groot is als de legitieme portie van het eigen kind zou zijn geweest als deze stiefkinderen eigen kinderen zouden zijn. In dit geval zou dat betekenen dat de verkrijging van de stiefkinderen meer dan twee keer zo groot moet zijn als de waarde van de legitieme portie indien uit zou zijn gegaan van vier kinderen.
In dit geval moet de verkrijging van de stiefkinderen dan meer zijn dan twee keer 1/8e van de legitimaire massa van € 180.207. Dat is € 45.052. De stiefkinderen verkrijgen ieder echter een erfdeel van € 13.541 en een gift van € 22.250, totaal dus € 36.041. Dat is minder dan twee maal de “fictieve legitieme” van artikel 4:91 lid 1 BW. Er mag dus niet bij de stiefkinderen worden ingekort.
Het stiefkleinkind wordt -jammer genoeg voor hem of haar- niet op dezelfde wijze beschermd als de stiefkinderen. Het stiefkleinkind is de enige die voor inkorting in aanmerking komt. Niet alleen kan aan het stiefkind geen (deel van het) erfdeel worden uitbetaald, ook de eerder ontvangen gift dient aan de legitimaris te worden voldaan.
Lees hier de hele uitspraak.