Partijen zijn zusters, Zus A en Zus B. De moeder van partijen, heeft vanaf november 2005 tot oktober 2008 bij Zus B in een zomerhuisje in de tuin gewoond. Op 6 december 2008 overleed erflaatster. Zus B was bij testament tot enig erfgenaam benoemd erfgenaam benoemd. Voor Zus A was er een legaat, een bedrag ter grootte van de legitieme portie.
De waarde van de nalatenschap bedroeg volgens Zus B € 8.655,96. Maar uit een brief van de belastingdienst bleek dat erflaatster in 2006 en 2007 in totaal voor een bedrag van circa € 350.000,- had ingeteerd op haar vermogen. Dit ondanks een netto inkomen in 2006 van € 40.000,-. Erflaatster werd in 2006 87 jaar.
Tussen partijen is niet in geschil dat erflaatster zich gedurende de drie laatste jaren van haar leven heeft ingespannen om haar vermogen te minimaliseren. Zus B heeft daarover onomwonden en onweersproken verklaard dat erflaatster dit deed om ervoor te zorgen dat Zus A zo min mogelijk zou erven. Wel twisten partijen over de vraag of de bedragen die erflaatster heeft laten verdwijnen moeten worden beschouwd als ‘in aanmerking te nemen giften’ aan Zus B als bedoeld in artikel 4:65 BW. De vraag is dus of het verdwenen geld gezien moet worden als een gift die meedoet in de legitimaire massa. In totaal gaat het om een bedrag van € 403.388,87.
Het meest interessant in deze uitspraak zijn de contante opnamen van in totaal EUR 263.850,-.
Tussen partijen staat vast dat erflaatster na het overlijden van haar echtgenoot heeft getracht haar bankrekening zoveel als mogelijk leeg te halen. Dit met het oog op het benadelen van Zus A. Dat oogmerk heeft geleid tot exorbitante opnames in contant geld, waaronder bijvoorbeeld alleen al in de maand september van 2005 een achttal kasopnames van in totaal EUR 38.000,-. Alles bij elkaar heeft erflaatster in een periode van 3 jaar en 4 maanden een bedrag van EUR 263.850,- in contanten opgenomen.
Zus A heeft gemotiveerd gesteld dat dit geld ten goede is gekomen aan Zus B. Zus B betwist dit. Ter zitting verklaarde Zus B over de kasopnames dat zij en haar echtgenoot altijd bij de bewuste opnames aanwezig waren. De rechtbank heeft Zus B daarop gevraagd waarvoor erflaatster dat geld gebruikte. Zus B stelt dat niet te weten, ondanks het feit dat erflaatster ruim 85 jaar was, intensieve zorg van Zus B genoot, en weinig meer buiten de deur kwam. Niet alleen dat, Zus B stelt ook desgevraagd dat zij uit beleefdheid nooit aan erflaatster heeft gevraagd wat zij met het geld deed. De rechtbank gaat daar niet in mee. De stelling dat Zus B haar hoogbejaarde moeder in de bewuste periode ruim tweehonderdzestigduizend euro in contanten liet opnemen, zonder ook maar éénmaal te informeren waaraan deze bedragen werden besteed, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Tenzij Zus B de begunstigde van de opgenomen contanten was.
De rechtbank gaat er dan ook van uit dat erflaatster het geld aan Zus B heeft geschonken. Een bedrag van EUR 263.850,- zal daarom bij de vaststelling van de legitimaire massa in aanmerking worden genomen.
Aangezien de waarde van de nalatenschap slechts EUR 8.655,96 bedraagt, krijgt Zus A ter zake van haar legitieme portie een vordering op Zus B in haar hoedanigheid van begiftigde en kan zij op grond van artikel 4:89 BW de giften die zijn gedaan aan Zus B inkorten voor zover deze afbreuk doen aan haar legitieme portie. Inkorting van een gift dient op grond van artikel 4:90, lid 1 BW te geschieden door een verklaring aan de begiftigde. De dagvaarding in deze zaak kan gelden als een dergelijke verklaring.
Van belang in deze zaak is nog dat in erfrechtprocedures tussen familieleden in bijna alle gevallen de proceskosten “gecompenseerd” worden. Dat betekent dat ieder zijn eigen kosten draagt. Blijkbaar vond de rechter dat Zus B het in deze zaak wel heel erg bont had gemaakt, want Zus B is in de proceskosten van Zus A veroordeeld.
Lees hier de hele uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, d.d. 4 september 2013.