Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Amsterdam heeft op 25 oktober 2017 uitspraak gedaan over een gift van erflater aan ex-echtgenote. Geen morele verplichting, geen natuurlijke verbintenis, schending legitieme kinderen erflater met inkorting gift tot gevolg?

Naar de kern genomen leggen eisers gezamenlijk aan hun vorderingen ten grondslag dat de door gedaagde in 2012 betaalde koopsom voor de door erflater gehouden (50% van de) aandelen overeenkomt met slechts ongeveer 25% van de waarde daarvan ten tijde van de overdracht, zodat voor het meerdere sprake is van een gift van erflater aan gedaagde. Als gevolg van deze gift kunnen de erfdelen, noch de aan eisers gezamenlijk toekomende legitieme porties, uit de nalatenschap worden voldaan, zodat de gift op grond van het bepaalde in de artikelen 4:89 juncto 4:90 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten laste van gedaagde dient te worden ingekort tot  het hiervoor genoemde bedrag, aldus de advocaat van eisers gezamenlijk.

Gegeven de stellingen van eisers gezamenlijk ligt allereerst ter beantwoording voor de vraag of de overdracht van de aandelen kwalificeert als een gift en vervolgens of deze van zodanige omvang is dat het saldo van de nalatenschap van erflater ontoereikend is om eisers gezamenlijk zijn legitieme portie uit te keren.

Gift?

Gedaagde stelt terecht dat de vraag of sprake is van een gift ook onderdeel heeft uitgemaakt van het partijdebat in de voor de rechtbank Noord-Holland gevoerde procedure, maar de rechtbank heeft – anders dan gedaagde aanvoert – op dit punt niet inhoudelijk beslist, zoals volgt uit het vonnis. De in die procedure gevorderde verklaring voor recht is immers bij gebrek aan belang afgewezen. Nu het daarmee tot een inhoudelijke beoordeling niet is gekomen, staat het gezag van gewijsde dat aan het vonnis van de rechtbank Noord-Holland toekomt niet aan een inhoudelijke beoordeling van dit geschilpunt in deze procedure in de weg en zal de rechtbank thans beoordelen of sprake was van een gift.

Op grond van artikel 7:186 lid 2 BW is sprake van een gift bij iedere handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Voldoende is dat de schenker (erflater), hoewel zich bewust van het ontbreken van enigerlei verplichting, desondanks de verrijking van de begiftigde (gedaagde) heeft gewild.

In het onderhavige geval staat vast dat de aandelen relatief kort voor de overdracht in februari 2012 meermaals zijn gewaardeerd. In opdracht van erflater heeft accountant de aandelen in september 2011 gewaardeerd op een bedrag tussen € 6.913.858 en € 7.589.198. Uit de redactie van de begeleidende e-mail van de accountant leidt de rechtbank met eisers gezamenlijk af dat de waardering is gedaan met het oog op de overdracht van de door erflater gehouden aandelen aan gedaagde.

Voorts is niet in geschil, althans gedaagde heeft dat niet gemotiveerd bestreden, dat in het kader van de financiële afwikkeling van de echtscheiding de aandelen door accountants in juni 2010 zijn gewaardeerd op een bedrag van € 7.610.724 en dat partijen de aandelen voor dit bedrag in de verdere afwikkeling hebben betrokken.

Uit de hiervoor weergegeven correspondentie kan niet anders afgeleid worden dan dat zowel erflater als gedaagde zich ten tijde van de overdracht van (de 50% van) de aandelen ervan bewust waren dat de door gedaagde betaalde, althans schuldig gebleven, tegenprestatie van € 1.000.000 zo ver onder een reële waarde van de aandelen lag, dat sprake is van een verrijking van gedaagde ten koste van het vermogen van erflater, en daarmee in beginsel sprake is van een gift.

De stelling van gedaagde dat dit de enige “haalbare” (naar de rechtbank begrijpt, door haar financierbare) transactie was, maakt dit niet anders. Niet gesteld of gebleken is immers dat erflater de aandelen moest verkopen. Haar stelling dat geen sprake is van een gift omdat erflater wilde dat gedaagde de onderneming kon voortzetten en niet wilde dat de aandelen zouden vererven, is evenmin steekhoudend. Dit had erflater immers ook op een andere manier kunnen bewerkstelligen (bijvoorbeeld door middel van een legaat).

De stelling van gedaagde dat geen sprake was van een gift, omdat erflater jegens haar moreel verplicht was om bij te dragen in haar onderhoud tijdens leven of na zijn dood in de zin van artikel 4:69 lid 1 sub a BW, wordt ook niet gevolgd. Gedaagde heeft hiertoe slechts gesteld dat zij gedurende de laatste jaren van het leven van erflater zijn mantelzorgster was. Nog afgezien van het feit dat dit door eisers gezamenlijk wordt betwist, is dit onvoldoende om in dit geval een dergelijke morele verplichting aan te nemen. Erflater en gedaagde waren ex-echtelieden en erflater heeft gedaagde bij de echtscheiding goed verzorgd achter gelaten, zoals ook blijkt uit het echtscheidingsconvenant waarin is vastgelegd dat partijen tegenover elkaar niet tot betaling van alimentatie gehouden zijn en dat ieder van hen in staat is in het eigen levensonderhoud te voorzien.

Voorts heeft gedaagde op geen enkele wijze toegelicht dat deze gift in overeenstemming was met het inkomen en vermogen van erflater zoals voornoemd artikel tevens vereist. Gelet de boedelbeschrijving en het daaruit voorvloeiende substantieel lagere batig saldo in verhouding tot de hiervoor vastgestelde omvang van de gift, had het de weg van gedaagde gelegen op dit punt een nadere toelichting te geven. Nu zij dit heeft nagelaten zal de rechtbank ook daarom dit verweer passeren.

Het verweer van gedaagde dat erflater een lagere koopsom heeft bedongen om gedaagde in staat te stellen de door de vennootschap gedreven onderneming voort te kunnen zetten, en daarom geen sprake is van een gift, kan evenmin worden gevolgd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft gedaagde verwezen naar een conclusie van de procureur generaal (PHR:2004:AN8172). Naar de rechtbank begrijpt, doelt gedaagde met dit verweer op het bepaalde in de artikelen 3:166 lid 3 BW en 3:185 lid 1 BW, waarin is bepaald dat – kort gezegd – de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW) en dat dit met zich brengt dat bij een verdeling, al dan niet door de rechter, rekening gehouden dient te worden met de continuïteit van bedrijfsvoering hetgeen onder omstandigheden ertoe kan leiden dat het te verdelen goed voor een lagere waarde in de verdeling wordt betrokken dan de daaraan toe te kennen hogere economische waarde. Deze situatie doet zich hier niet voor. De overdracht vloeit niet voort uit een verdeling van een gemeenschappelijk goed. De aandelen in de vennootschap waren immers reeds bij gelegenheid van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap door en tussen erflater en gedaagde verdeeld en zijn door de overdracht aan gedaagde juist weer in één hand gekomen.

Omvang van de gift

De vraag die thans voorligt is wat de omvang van de gift is, met andere woorden: op welk bedrag (50% van) de aandelen moeten worden gewaardeerd. Gedaagde stelt terecht dat de waardering van aandelen op verschillende wijzen kan plaatsvinden, en dat het toepassen van verschillende waarderingsmethoden doorgaans ook tot uiteenlopende waarderingen zal leiden. Dat blijkt ook wel uit het door gedaagde zelf in het geding gebrachte rapport van S, die een andere waarderingsmethodiek heeft gehanteerd dan B Accountants. Ook heeft gedaagde gelijk waar zij stelt dat iedere waardering van aandelen “niets minder en meer dan een benadering” is.

Hoewel de rechtbank met de gedachte heeft gespeeld de aandelen (opnieuw) door een deskundige te laten waarderen in het kader van deze procedure, wordt uiteindelijk – mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de waardering van aandelen in het algemeen – beslist dat dit niet nodig is en dat het rapport van de accountant tot uitgangspunt zal worden genomen.

Hiervoor is het volgende redengevend. Van de zijde van gedaagde is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de waarde van de aandelen in de vennootschap in hoge mate worden bepaald door de waarde van het in de dochtervennootschap gehouden onroerend goed met de daaruit voortvloeiende huuropbrengsten. Dit betekent dat de door de accountant gehanteerde waarderingsmethode meer voor de hand ligt dan de door S gehanteerde methode die meer geëigend is voor aandelen in een onderneming waarin het onroerend goed dienstbaar is aan de (overige) bedrijfsactiviteiten, of, zoals S het noemt, de functie heeft van bedrijfsmiddel, en niet beleggingsobject.

In dit geval is daarvan geen sprake: de exploitatie van het onroerend goed is immers de enige (overgebleven) bedrijfsactiviteit en kan (dus) juist eerder worden gezien als belegging. Voorts is van belang dat erflater de waardering door de accountant heeft laten opstellen met het oog op de overdracht van de aandelen aan gedaagde en dat erflater en gedaagde ook ten tijde van de echtscheiding een vergelijkbare waarde van de aandelen tot uitgangspunt namen bij de verdeling van het huwelijksvermogen. Aan de verder niet nader onderbouwde stelling van gedaagde dat de bank in het kader van haar financieringsaanvraag de aandelen destijds slechts wilde waarderen op een bedrag van €1,8 miljoen wordt voorbij gegaan.

In de omstandigheid dat het slechts ging om de overdracht van 50% van de aandelen en dat dit, zoals gedaagde heeft aangevoerd, enig waarde drukkend effect zal hebben, omdat enkel daarmee geen zeggenschap in een vennootschap verkregen kon worden, ziet de rechtbank aanleiding om binnen de door de accountant opgenomen bandbreedte in zijn waardering, aan de lage kant te gaan zitten. De rechtbank zal aan het gehele aandelenpakket een waarde toekennen van afgerond € 7.000.000, en derhalve € 3.500.000 aan de door gedaagde van erflater verkregen (50% van de) aandelen. Gelet op de van gedaagde bedongen tegenprestatie van € 1.000.000 bedraagt de gift van erflater aan [gedaagde] een bedrag van € 2.500.000.

Legitimaire massa

Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de stellingen en weren van partijen ten aanzien van de vraag of deze gift inbreuk maakt op de aan eisers gezamenlijk toekomende legitieme portie en bij een bevestigende beantwoording in welke mate de gift voor inkorting vatbaar is.

Uitgangspunt is dat de aan eisers gezamenlijk als kinderen van erflater toekomende legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap welke dient te worden vermeerderd met de in artikel 4:65 e.v. BW in aanmerking te nemen giften en verminderd met de in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW genoemde schulden van de nalatenschap (hierna verkort aangeduid als: het saldo van de nalatenschap).

De rechtbank constateert dat tussen partijen op zich niet in geschil is dat de legitieme porties van eisers gezamenlijk berekend dienen te worden op de wijze als door de kandidaat-notaris toegepast in haar brieven van 10 maart 2017 en 13 maart 2017.

Tevens zijn zij het eens over de wijze waarop met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4:87 en 4:89 BW eventuele inkorting op legaten en giften dient plaats te vinden. Partijen verschillen wel van mening over het saldo van de nalatenschap dat tot vertrekpunt dient in de berekening van de hoogte van de aan eisers gezamenlijk toekomende legitieme porties en de berekening van de eventuele benodigde inkorting op legaten en mogelijk ook giften.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel of over de inkorting van giften, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.