Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 12 september 2019 uitspraak gedaan over het recht op informatie van de legitimaris.

Verzoekschrift ex artikel 4:78 BW; informatie-vraag van legitimaris (niet zijnde erfgenaam) aan executeur-testamentair en enig erfgenaam, betreffende bankafschriften tot vijf jaar voor het overlijden erflaatster op straffe van een dwangsom.

De legitimaris heeft haar verzoek gebaseerd op het eerste lid van artikel 4:78 BW, luidende:

‘Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.’

Uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ in artikel 4:78 lid 1 BW kan afgeleid worden dat dit begrip zo ruim als mogelijk moet worden uitgelegd, met de enkele beperking dat de gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.

Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften (en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW). Artikel 4:67 BW bepaalt voorts welke door de erflater gedane giften bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking worden genomen.

Legitieme. Recht op informatie. Informatieverstrekking aan legitimaris, niet zijnde erfgenaam, door executeur-testamentair, als enig erfgenaam.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter constateert dat de legitimaris appellant zowel in de hoedanigheid van enig erfgenaam als in de hoedanigheid van executeur-testamentair in de procedure heeft betrokken.

Appellant heeft gezien voorgaande artikelen de wettelijke verplichting om alle bescheiden die betrekking hebben op de waarde van voornoemde goederen, giften en schulden aan geïntimeerde te verstrekken, zodat zij haar legitieme portie kan berekenen.

Daartoe behoren naar het oordeel van de rechter ook alle bankafschriften van erflaatster van vijf jaar voor datum overlijden tot heden of tot de opheffing van de rekening(en).

De rechter komt tot dit oordeel mede gezien het tussenarrest van dit hof van 16 mei 2017 (GHSHE:2017:2177)

Blijkens dat tussenarrest staat vast dat belanghebbende één dag voor het overlijden van erflaatster van de spaarrekening van erflaatster een bedrag van € 7.500,– aan haarzelf en een gelijk bedrag aan appellant heeft overgemaakt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellant de legitimaris enkel heeft geïnformeerd over de inhoud van de regeling die hij uiteindelijk met belanghebbende heeft getroffen. Hij heeft haar niet geïnformeerd over de door hem ontvangen € 7.500,- of over de door belanghebbende ontvangen € 7.500,- en over de tweede (spaar)rekening.

Ook blijkt uit het tussenarrest dat appellant in eerste aanleg een totaalbedrag van ongeveer € 71.000,- vorderde van belanghebbende, kort gezegd stellende dat dit tot de nalatenschap van erflaatster behoort.

Deze omstandigheden die blijken uit het tussenarrest maken dat de legitimaris alle belang heeft bij inzage in alle rekeningen van erflaatster voor zover bekend, inclusief de in het tussenarrest genoemde spaarrekening, in de periode van vijf jaar voor het overlijden tot heden/opheffing van de rekeningen.

Alleen met die informatie kan de legitimaris achterhalen welke bedragen belanghebbende en/of appellant – naast de hiervoor genoemde bedragen van tweemaal € 7.500,– – hebben ontvangen en kan zij beoordelen of deze bedragen giften zijn en zo ja, of deze behoren tot de in artikel 4:67 BW opgesomde giften die van invloed zijn op de hoogte van haar legitieme portie.

Het ligt op de weg van appellant om alle stappen te zetten die nodig zijn om de verzochte bankafschriften te achterhalen en vervolgens aan de legitimaris te verstrekken.

Weliswaar stelt appellant meer dan voldoende inspanning te hebben verricht om aan de ontbrekende bankafschriften te komen, maar hij toont dit met geen enkel stuk aan.

Zo ontbreekt bijvoorbeeld een sommatie aan belanghebbende en is er geen verzoek tot het geven van volmacht – gericht op het door de bank verstrekken van informatie aan de rechtsopvolger van erflaatster, overgelegd.

Van appellant mag worden verwacht dat hij alsnog belanghebbende en/of de bank beweegt om de verzochte afschriften van de gebleken bank- of spaarrekeningen te verstrekken, althans dat hij belanghebbende beweegt haar medewerking te verlenen aan het opvragen van deze bankafschriften.

De rechter is ten slotte van oordeel dat de kantonrechter terecht een dwangsom aan zijn veroordeling tot overlegging van de bankafschriften heeft verbonden.

Gezien de omstandigheden dat appellant de legitimaris niet heeft geïnformeerd over bijvoorbeeld de spaarrekening van erflaatster en de bedragen van € 7.500,- die zijn zus vlak voor het overlijden van erflaatster aan haarzelf en aan hem heeft overgemaakt, alsmede het gegeven dat appellant in eerste aanleg nog heeft betoogd de IB-aangiften niet te kunnen verstrekken en deze stukken na het vonnis waarvan beroep toch aan geïntimeerde heeft verzonden, is de rechter van oordeel dat appellant wel ‘onwillig’ was om informatie te verstrekken en de dwangsom als prikkel tot nakoming noodzakelijk is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.