Onterfde kinderen hebben recht op een legitieme portie. Maar wie zijn kind onterft probeert misschien wel om bij overlijden op “0” te eindigen en voor die tijd alles weg te schenken. Daar houdt de wet rekening mee. Voor de legitieme portie kijken we niet alleen naar wat er over is, maar ook naar wat er voorafgaand aan het overlijden is geschonken. De wet kijkt ook naar wat er is geschonken aan het onterfde kind. En dat laatste kan er toe leiden dat de legitieme portie toch “0” is. Zo ook bij het Hof Amsterdam op 31 mei 2012. Een wat oudere uitspraak, maar daarom niet minder relevant.

Er zijn twee kinderen die zich hebben beroepen op hun legitieme portie (in casu waren deze kinderen overigens niet onterft, maar zij meenden met het oog op de schenkingen dat toch sprake was van schending van hun legitieme portie) .

Even in het kort de wet: De legitieme portie van elk van de appellanten wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW (artikel 4:65 BW), hierna ook de legitimaire massa. De legitieme portie van elk van de appellanten is op grond van artikel 4:64 BW 1/10e van deze legitimaire massa. De waarde van giften, door de erflaatster aan de legitimaris gedaan, en van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme portie (artikel 4:70 en 71 BW). Hetgeen dan resteert is de legitimaire aanspraak. Ter zake van deze legitieme aanspraak kan de legitimaris een vordering verkrijgen op de gezamenlijke erfgenamen dan wel op een begiftigde. Indien nodig kan de legitimaris inkorten op giften voor zover zij aan zijn legitieme portie afbreuk doen. Inkorting van een gift geschiedt door een verklaring aan de begiftigde, die verplicht is de waarde van het ingekorte gedeelte van de gift aan de legitimaris te vergoeden, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is (artikel 4:90 lid 1 BW).

Partijen zijn het in beginsel erover eens dat het saldo van de nalatenschap van de erflaatster € 2.791.322,- bedraagt. Partijen zijn het er ook over eens dat bij de berekening van de legitimaire massa een schenking van de erflaatster aan een stichting van € 1.435.000,- in aanmerking moet worden genomen. De stichting stelt voorts in de memorie van antwoord dat de erflaatster op 19 november 2002 aan elk van haar kinderen behalve aan [B] een bedrag van € 2.905.000,- heeft geschonken en aan [B] € 1.465.000,- , derhalve in totaal een bedrag van € 13.085.000,-. Appellanten zijn nog niet in de gelegenheid geweest op deze stelling te reageren.

Het Hof gaat uitgebreid rekenen en stelt vast dat er vier mogelijke uitkomsten zijn. Maar in elk van die vier uitkomsten bedraagt de legitieme portie nihil omdat de giften die aan de legitimarissen zelf zijn gedaan er van moeten worden afgetrokken. Alvorens een beroep te doen op de legitieme portie moet de legitimaris niet alleen naar de schenkingen kijken die aan anderen zijn gedaan, maar naar de schenkingen die hij zelf bij leven heeft ontvangen.

Voor wie het leuk vindt om de berekeningen van het Hof te bekijken is hier de hele uitspraak te vinden. En als u niet uit de berekeningen komt belt u dan met Toon Kool of Maddie Wisman, onze gespecialiseerde erfrechtadvocaten.