De Rechtbank Rotterdam heeft op 21 juli 2021 uitspraak gedaan over de vraag of eiser ontvankelijk was in haar vordering vanwege het feit dat zij als deelgenoot, als erfgenaam, deze vordering had ingesteld tegen een andere deelgenoot (erfgenaam) in de nalatenschap.

Eiseres heeft gesteld dat gedaagde voorafgaand aan het overlijden van erflaatster € 8.500,- contant heeft opgenomen van de bankrekening van erflaatster en daardoor onrechtmatig gehandeld heeft.

Gedaagde heeft betwist dat zij ten behoeve van haarzelf geld heeft opgenomen van de bankrekening van erflaatster. Zij heeft wel een deel van de bedragen opgenomen, maar dit was in opdracht van erflaatster of in de aanwezigheid van erflaatster. Het geld dat gedaagde contant opnam heeft zij altijd aan erflaatster gegeven, aldus gedaagde.

Tijdens de zitting is de mogelijkheid besproken dat eiseres een beroep kan doen op haar aanvullende legitieme portie nu blijkt dat een deel van de koopprijs van de auto is geschonken.

Eiseres heeft daar tijdens de zitting ook een beroep op gedaan.

In deze procedure ligt echter niet de berekening van de legitieme portie voor, omdat eiseres alleen heeft gevorderd dat gedaagde wordt veroordeeld om bedragen aan de nalatenschap te betalen.

De rechtbank ziet dan ook geen grond om op het beroep op de aanvullende legitieme te beslissen in deze procedure.

Erfrecht. Procesrecht. Procederen tegen een mede-erfgenaam. Gemeenschap. Deelgenoten. Ontvankelijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

Eiseres heeft gesteld dat gedaagde zonder toestemming van erflaatster bedragen van haar bankrekening heeft opgenomen.

Hoewel de rechtbank met eiseres van mening is dat het vreemd is dat in de laatste paar maanden voor het overlijden van erflaatster diverse bedragen zijn opgenomen van haar rekening, ligt het gelet op de betwisting van gedaagde toch op de weg van eiseres om haar stelling dat gedaagde zich die bedragen heeft toegeëigend nader te onderbouwen.

Dat heeft eiseres echter niet gedaan.

Dat erflaatster geen contant geld meer in huis had ten tijde van haar overlijden is onvoldoende voor de conclusie dat erflaatster geen opdracht heeft gegeven voor (een deel van) de geldopnames door gedaagde.

Bij erflaatster kwamen ook andere mensen over de vloer, zodat de mogelijkheid bestaat dat anderen het geld hebben meegenomen of gekregen van erflaatster.

Op dit moment is het dus niet aannemelijk geworden dat gedaagde zonder toestemming en instemming van erflaatster de geldopnames gedaan heeft en het geld zelf heeft gehouden.

Dit betekent dat niet geoordeeld wordt dat gedaagde € 8.500,- aan geldopnames aan de nalatenschap verschuldigd is en de vordering in zoverre wordt afgewezen.

Wat betreft de ontvankelijkheid van eiseres overweegt de rechtbank nog het volgende.

De nalatenschap van erflaatster is een gemeenschap en eiseres en gedaagde zijn samen deelgenoten van deze gemeenschap.

Een deelgenoot (in dit geval eiseres) kan niet ten behoeve van de nalatenschap op de voet van artikel 3:171 BW een vordering instellen tegen een andere deelgenoot (in dit geval gedaagde) die strekt tot betaling door die andere deelgenoot van enig bedrag aan de nalatenschap (Hoge Raad, 8 september 2000, HR:2000:AA7043 en Hoge Raad, 6 april 2018, HR:2018:535).

Dit betekent dat eiseres zonder toestemming van de kantonrechter, die zij niet heeft, niet tegen gedaagde kan procederen.

Dit is met partijen besproken ter zitting en tevens is besproken dat het niet duidelijk is of de rechtbank deze bepaling ambtshalve moet toepassen.

Gedaagde heeft vervolgens ter zitting verklaard dat het niet in haar belang is om op de niet-ontvankelijkheid een beroep te doen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop in het midden kan blijven of zij ambtshalve moet beoordelen of eiseres onderhavige vordering kan instellen.

Als eiseres niet-ontvankelijk verklaard wordt, dan zal zij de kantonrechter verzoeken om toestemming te krijgen om te procederen, waartegen gedaagde dan zeer waarschijnlijk geen bezwaar zal maken.

Dit zal er derhalve alleen toe leiden dat de procedure langer duurt, terwijl partijen juist erbij gebaat zijn dat op hun geschilpunten snel beslist wordt.

Nu het niet in belang is van partijen om eiseres niet-ontvankelijk te verklaren en gedaagde daar ook geen beroep op doet, heeft de rechtbank deze zaak inhoudelijk beoordeeld en eiseres ontvankelijk geacht.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.