Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een beneficiaire aanvaarding en het gedrag als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam.

Zuivere of beneficiaire aanvaarding?

De vraag die thans beantwoord moet worden is of appellanten c.s. de nalatenschap van erflater beneficiair dan wel zuiver aanvaard hebben, zoals zij in de grief hebben gesteld, teneinde te kunnen vaststellen op welke wijze de nalatenschap van erflater dient te worden afgewikkeld, en de nog niet afgedane vorderingen te kunnen beoordelen.

Namens appellanten c.s. wordt in dit verband het standpunt ingenomen dat appellanten de nalatenschap op 15 februari 2005 beneficiair aanvaard hebben en dat de nalatenschap vereffend dient te worden.

Daartoe verwijzen appellanten c.s. naar hun verklaring, neergelegd in een akte beneficiaire aanvaarding van 4 februari 2005, inhoudende dat zij de nalatenschap niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving, welke verklaring op 15 februari 2005 in het boedelregister is ingeschreven.

Geïntimeerde betwist daarnaast primair dat door de erfgenamen appellanten c.s. de nalatenschap beneficiair zou zijn aanvaard.

Zij voert daartoe aan dat aan de verklaring van 4 februari 2005 houdende beneficiaire aanvaarding rechtens niet de betekenis is toe te kennen van beneficiaire aanvaarding, nu appellanten c.s. de nalatenschap feitelijk reeds voordien zuiver hebben aanvaard.

Geïntimeerde wijst daartoe op diverse door appellanten c.s. verrichte (rechts)handelingen die in samenhang met zich meebrengen dat de erfgenamen zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen hebben gedragen en zij derhalve geacht moeten worden de nalatenschap van erflater zuiver te hebben aanvaard.

Appellanten c.s. en J als vereffenaar hebben de stelling dat appellanten c.s. de nalatenschap feitelijk zuiver hebben aanvaard gemotiveerd weersproken.

Allereerst hebben zij gewezen op de omstandigheid dat appellanten c.s. ter griffie van de rechtbank Rotterdam een verklaring van beneficiaire aanvaarding hebben afgelegd, die op 15 februari 2005 in het boedelregister is ingeschreven.

Daarnaast voeren zij aan dat in een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2012 reeds is geoordeeld dat van zuivere aanvaarding geen sprake was, welke beschikking tussen partijen gezag van gewijsde heeft.

Verder heeft het hof Den Haag – aldus appellanten c.s. en J – bij beschikking van 23 december 2009 vastgesteld dat appellanten c.s. de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.

X was op de hoogte van de beneficiaire aanvaarding aangezien zij appellanten c.s. op grond van artikel 4:192, lid 2, BW een termijn heeft gesteld om de nalatenschap te aanvaarden of te verwerpen, welke termijn door de kantonrechter uiteindelijk is verlengd tot 17 februari 2005.

Beneficiaire aanvaarding. Gedrag als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam? Omvang van de rechtsstrijd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vaststaat dat appellanten c.s. krachtens een beschikking van de kantonrechter te Rotterdam uiteindelijk tot 17 februari 2005 de tijd hebben gekregen om een keuze te maken de nalatenschap van erflater te aanvaarden of te verwerpen.

Vast staat ook dat appellanten c.s. vervolgens een – in een akte beneficiaire aanvaarding van 4 februari 2005 neergelegde – verklaring hebben afgelegd dat zij de nalatenschap niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving, welke verklaring op 15 februari 2005 in het boedelregister is ingeschreven.

Daarmee hebben appellanten c.s., overeenkomstig de voorschriften van artikel 4:191, lid 1, BW een keuze gemaakt voor beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap.

De stelplicht en bewijslast van de stelling van geïntimeerde, dat appellanten c.s. reeds voordien de nalatenschap feitelijk zuiver hebben aanvaard, appellanten op grond van artikel 150 Rv bij geïntimeerde.

Geïntimeerde verwijst thans in haar memorie na verwijzing ter onderbouwing van deze stelling naar hetgeen zij heeft aangevoerd in haar dagvaarding van 20 november 2014 tegen appellanten c.s. strekkende tot een verklaring voor recht dat appellanten c.s. door hun gedragingen reeds voor het afleggen van de verklaring houdende beneficiaire aanvaarding zuiver hadden aanvaard.

De rechtbank Rotterdam heeft die procedure aangehouden totdat in de onderhavige zaak is beslist.

Het betreft hier nagenoeg geheel nieuwe feiten/stellingen ten opzichte van de eerder door X/geïntimeerde ingenomen standpunten.

Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing zal het hof slechts ingaan op de stellingen, die reeds voor verwijzing van de procedure zijn aangevoerd.

In dat verband heeft X/geïntimeerde zich in de memorie van antwoord beroepen op een brief van J van 24 oktober 2011 aan de rechtbank Rotterdam alsmede een vergelijkbare brief aan het hof van 11 oktober 2011, waaruit volgens geïntimeerde valt af te leiden dat de erven de beschikking hebben gehad over het nalatenschapsvermogen.

Appellanten c.s. en J hebben in dit verband aangevoerd dat deze argumenten reeds eerder door X zijn aangevoerd en door de rechtbank Rotterdam zijn verworpen bij beschikking van 20 maart 2012.

Het gaat hier om een procedure, waarin het verzoek van X/geïntimeerde om J als vereffenaar te ontslaan, aan de orde was.

Appellanten c.s. zijn als belanghebbenden betrokken geweest in deze procedure. X heeft in deze procedure aan haar verzoek om J in zijn hoedanigheid van vereffenaar te ontslaan ten grondslag gelegd dat sprake is van nieuwe feiten, zodat de juridische grondslag voor vereffening van de nalatenschap – te weten aanvaarding door de erven van de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving – is komen te vervallen.

De rechtbank heeft het verzoek tot ontslag van J afgewezen, daartoe overwegende:

“ De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop de vereffenaar het door hem geconstateerde in de brief van 24 oktober 2011 heeft weergegeven vragen kan oproepen. Echter in het verweerschrift en ter zitting heeft de vereffenaar gemotiveerd de interpretatie van X van de inhoud van deze brief bestreden, zodat hiermee naar het oordeel van de rechtbank is aangetoond dat er geen sprake is van een nieuw feit. Naar het oordeel van de rechtbank is tevens uit de overgelegde belastingaanslag van 26 november 2004 in samenhang met de brief van de notaris M van 14 december 2004 aangetoond dat er geen sprake is van door de Belastingdienst betwiste schenkingen, zodat op dit punt eveneens geen sprake is van een nieuw feit. Ook overigens zijn er geen nieuwe feiten aangedragen die tot de conclusie dienen te leiden dat de erven de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.”

Het hof stelt vast dat de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2012 tussen dezelfde partijen is gewezen als de partijen in de onderhavige procedure.

In beide procedures gaat het om de vraag of de beneficiaire aanvaarding door appellanten c.s. is vervallen, althans rechtens geen effect heeft of betekenis heeft gehad, omdat appellanten c.s. zich hebben gedragen als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen in de zin van artikel 4:192, lid 1, BW.

Dit betreft derhalve dezelfde rechtsbetrekking.

Dit betekent dat de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2012 tussen partijen bindende kracht heeft en de vraag naar de zuivere of beneficiaire aanvaarding niet opnieuw in deze procedure door geïntimeerde aan de orde kan – en kon – worden gesteld.

Daarbij doet niet ter zake dat de procedures andere vorderingen betreffen.

Hetzelfde geldt voor de stelling van geïntimeerde dat in de procedure bij de rechtbank Rotterdam die heeft geleid tot de beschikking van 20 maart 2012 zij (althans X) eiseres was en dat zij in de onderhavige procedure verweer voert, hetgeen gevolgen heeft voor de bewijspositie.

Evenals het hof in de onderhavige procedure heeft de rechtbank Rotterdam in de beschikking van 20 maart 2012 als uitgangspunt genomen dat X de bewijslast draagt van haar stelling dat appellanten c.s. de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.

Evenmin treft doel de stelling van geïntimeerde dat X in eerstgenoemde procedure slechts het oog heeft gehad op gedragingen van appellanten c.s. tot en met 2004.

De gedragingen die geïntimeerde in de onderhavige procedure heeft aangevoerd waren alle reeds bekend tijdens de procedure bij de rechtbank Rotterdam die tot de beschikking van 20 maart 2012 heeft geleid.

Het had op de weg van X gelegen deze haar reeds bekende feiten ook in die procedure naar voren te brengen.

Het gezag van gewijsde van voornoemd oordeel van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2012 geldt derhalve onverkort.

De conclusie is dan ook dat geïntimeerde tegenover het gemotiveerde verweer van appellanten c.s. en J onvoldoende heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat appellanten c.s. de nalatenschap van erflater zuiver zouden hebben aanvaard.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de taken en bevoegdheden van een vereffenaar of van een executeur of over zuivere en beneficiaire aanvaarding, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.