Van onze advocaat legitieme. Enige tijd geleden heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan over de aanspraak op de legitieme portie van een onterfde zoon jegens zijn broers en de waardering van een onderneming in de nalatenschap.
Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn het er over eens dat de onderneming van vader voorafgaand aan de overname daarvan door geïntimeerde en appellant 1 in 1985 niet is gewaardeerd. Bij memorie na enquête betogen appellant 1 en appellant 2 namelijk dat de onderneming voorafgaande aan de overdracht niet is gewaardeerd, terwijl geïntimeerde betoogt dat geen taxaties van de activa en passiva hadden plaatsgevonden die de koopsom bepaalden.
Voorts geldt dat na overname van de onderneming, vanwege bezwaren van de Belastingdienst, nog een bedrag van f 1.000.000,= is betaald voor goodwill.
Aanspraak op legitieme portie onterfde zoon jegens zijn broers. Waardebepaling van onderneming. Bevoordeling?
Het hof stelt voorop dat voor een bij de overdracht van de onderneming in 1985 door vader beoogde bevoordeling van geïntimeerde en appellant 1 ten bedrage van tenminste f 1.200.000,=, op zijn minst nodig is dat komt vast te staan dat vader er bij de overdracht in 1985 rekening mee hield dat de onderneming tenminste f 1.200.000,= meer waard was dan hetgeen daarvoor is betaald inclusief voornoemde f 1.000.000,= voor goodwill. Uit de verklaring van getuige (adviseur van de vader) blijkt dat dit niet het geval was.
De verklaring van getuige getuige 1 kan niet tot de conclusie leiden dat vader bij de overdracht van de onderneming in 1985 aan appellant 1 en geïntimeerde een bevoordeling beoogde van tenminste minste f 1.200.000,=. Getuige 1 heeft de onderneming in zijn rapport van 24 november 2014 met terugwerkende kracht gewaardeerd.
Evenmin kan uit de overige getuigenverklaringen een bij de overdracht van de onderneming in 1985 door vader beoogde bevoordeling van tenminste f 1.200.000,= worden afgeleid. Weliswaar heeft appellant 2 als getuige verklaard: “(…) Mijn vader is er vanuit gegaan dat hij met de schenking van 600.000,= gulden in de jaren ’90 aan mij de bevoordeling met zijn drieën gelijk heeft getrokken”, maar uit zijn verklaring blijkt tevens dat reeds in de jaren ’80 over een bedrag van f 500.000,= is gesproken. Uit de getuigenverklaring van appellant 2 kan niet worden opgemaakt dat de door appellant 2 genoemde compensatie ad 600.000,= gulden (geheel) ziet op compensatie van beoogde bevoordeling van [appellant 1] en [geïntimeerde] nadat was bepaald (1991) dat ter zake van goodwill een bedrag van f 1.000.000,= moest worden betaald.
Anders dan appellant 1 en appellant 2 aanvoeren, ziet het hof geen aanleiding om aan de verklaring van de adviseur van de vader te twijfelen.
Dat de adviseur van de vader als partijdeskundige van geïntimeerde zou hebben te gelden is door appellant 1 en appellant 2 niet onderbouwd. Naar het oordeel van het hof kan hij worden beschouwd als degene die bij uitstek op de hoogte is van de verschillende aspecten van de overdracht van de onderneming in 1985 en die ten opzichte van partijen en het tussen hen bestaande geschil als onafhankelijke buitenstaander kan worden aangemerkt.
Met de verklaringen van de door hen voorgebrachte getuigen en de producties die in de loop van de procedure zijn overgelegd, in onderling verband bezien, zijn appellant 1 en appellant 2 naar het oordeel van het hof niet geslaagd in het door hen te leveren bewijs, dat bij de overdracht van de onderneming door vader aan geïntimeerde en appellant 1 in 1985 sprake was van een door vader beoogde en ook daadwerkelijk tot stand gekomen bevoordeling van geïntimeerde en appellant 1 ten bedrage van ten minste f 1.200.000,= en dat de schenking aan appellant 2 van f 600.000,= diende ter compensatie van deze bevoordeling.
De consequentie hiervan is dat de grief van appellant 1 en appellant 2 in het principaal appel wordt verworpen. Een nader deskundigenonderzoek naar de waarde van de onderneming naar het tijdstip van de feitelijke overdracht, te weten het peiljaar 1985, als door appellant 1 en appellant 2 beoogd is niet aan de orde nu het gaat om wat vader beoogde.
In het tussenarrest van 12 april 2016 heeft hof in 4.5 de zeven kwesties weergegeven die de rechtbank in deze zaak heeft onderscheiden met de conclusies van de rechtbank daarover. Dit betreft:
De waarde van de aandelen in de beleggingsmaatschappij.
De waarde van de vier paarden.
De gestelde schenkingen van € 600.000,= van vader aan appellant 1 en appellant 2.
De overdracht van de onderneming in 1985 aan geïntimeerde en appellant 1.
De verschuldigde rente over de schenkingen aan appellant 1 en appellant 2.
De koopsom van de woning.
De kosten van de bouw van de serre.
De rechtbank heeft de legitieme porties van geïntimeerde in beide nalatenschappen in het eindvonnis als volgt vastgesteld:
De legitimaire massa in de nalatenschap van moeder dient te worden vastgesteld op: € 2.087.577,= (€ 2.259.342,= minus € 277.268,= en vermeerderd met € 31.500,= en € 74.003,=). De legitieme portie van geïntimeerde in de nalatenschap van moeder bedraagt aldus € 260.947,= (1/8ste keer € 2.087.577,=).
De legitimaire massa in de nalatenschap van vader bedraagt: € 1.351.332,= (€ 1.493.668,= minus € 277.268,= en vermeerderd met € 60.929,= en € 74.003,=). De legitieme portie van geïntimeerde in de nalatenschap van vader bedraagt aldus € 225.222,= (1/6e deel van € 1.351.332,=).
Bij de bepaling van de legitieme porties van geïntimeerde dienen op grond van de conclusie van het hof. Dit betekent dat:
De legitimaire massa in de nalatenschap van moeder dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 2.056.077,= en de legitieme portie van geïntimeerde op € 257.010,=.
De legitimaire massa in de nalatenschap van vader dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 1.290.403,= en de legitieme portie van geïntimeerde op € 215.067,=.
In totaal bedragen de legitieme porties van geïntimeerde in beide nalatenschappen € 472.077,=. Dit is € 14.092,= minder dan door de rechtbank vastgesteld. Aan geïntimeerde is na verrekening van enkele posten toegewezen een bedrag van € 110.050,=. Met de hiervoor vermelde aanpassing komt dit uit op een bedrag van € 95.958,=. Het eindvonnis van de rechtbank zal worden vernietigd voor zover een hoger bedrag is toegewezen en voor zover wettelijke rente over dat hogere bedrag is toegewezen en voor het overige worden bekrachtigd.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een nalatenschap, over de legitieme of over het kindsdeel, over de berekening van de legitieme of over de waardering van onroerend goed of van een onderneming of bedrijf in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.