De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of toestemming van de echtgenoot noodzakelijk was voor gebruikelijke en niet bovenmatige giften.

Eiseres en gedaagden zijn zus en broers (hierna ook: dochter en zoons).

Hun moeder, mevrouw A (hierna: moeder), is overleden.

Moeder had op 17 juli 2024 een echtscheidingsverzoek ingediend ten aanzien van de vader van partijen, met wie moeder in algehele gemeenschap van goederen was getrouwd.

Eiseres is op grond van het testament de enige erfgenaam van moeder en tevens executeur van haar nalatenschap.

In deze procedure is eiseres haar moeder na haar overlijden opgevolgd.

Eiseres vordert – samengevat – primair verklaringen voor recht dat haar moeder schenkingen die in de periode van 2010 tot en met 2024 door vader aan de zoons zijn gedaan wegens het ontbreken van haar op grond van artikel 1:88 BW vereiste toestemming heeft vernietigd op grond van artikel 1:89 BW – althans dat die schenkingen thans alsnog worden vernietigd – en terugbetaling (op grond van onverschuldigde betaling) van de bedragen aan de ontbonden huwelijksgemeenschap, met rente en hoofdelijke veroordeling van haar broers in de proceskosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

Erfrecht. Legitieme. Giften. Gebruikelijke, niet bovenmatige giften. Toestemmingsvereiste. Toestemming noodzakelijk voor gebruikelijke, niet bovenmatige giften?

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat partijen ter zitting eenstemmig hebben verzocht dat vonnis wordt gewezen zonder nadere bewijslevering.

Gedaagden hebben de vorderingen gemotiveerd betwist en daartoe allereerst aangevoerd dat toestemming van moeder op grond van artikel 1:88, eerste lid, aanhef en onder b, BW niet nodig was, aangezien het ging om gebruikelijke, niet bovenmatige giften.

Deze betwisting slaagt.

De rechtbank stelt ten behoeve van de beoordeling allereerst vast dat de zoons van de ten titel van schenking overgemaakte bedragen (respectievelijk € 90.038,- en € 77.413,-) niet betwisten dat het giften zijn.

Gedaagde heeft wel aangevoerd dat in dat bedrag een jaarlijkse vergoeding van € 1.750,- voor door hem verrichte administratieve werkzaamheden is begrepen, maar niets wijst daarop – in het bijzonder staat daarover niets vermeld in de overgelegde schriftelijke verklaringen van vader – en ter zitting heeft gedaagde verklaard dat die vergoeding vanuit een holdingvennootschap van zijn ouders werd betaald.

Er bestaat daarom geen reden om de giften met dat bedrag te verminderen.

Gedaagde heeft voorts aangevoerd – en zijn vader heeft in een schriftelijke en ondertekende verklaring van 20 juli 2024, aangevuld op 2 april 2025 bevestigd – dat alle contante geldopnames van de ABN-AMRO-rekening op vaders verzoek en met zijn goedkeuring hebben plaatsgevonden en dat al het opgenomen geld aan vader is afgedragen, en dat dit ook geldt voor de in opdracht of met instemming van vader gedane pinbetalingen bij tankstations – in verband met reiskosten van gedaagde – en in winkels.

Eiseres heeft over deze gang van zaken haar twijfels uitgesproken, maar onvoldoende onderbouwd dat de gelden of betalingen ten bedrage van € 48.902,03 ten goede van gedaagde zijn gekomen of meer bedragen dan een vergoeding van brandstofkosten.

Het voorgaande betekent dat het er in dit geschil voor gehouden moet worden dat de giften aan gedaagde over de genoemde veertien jaar € 90.038,- hebben bedragen en de giften aan gedaagde 2 € 77.413,-.

Gedaagden hebben er voorts op gewezen dat de giften structureel waren – immers veertien jaar voortduurden – en niet bezwarend waren voor het gezin, omdat het gezamenlijke vermogen van vader en moeder blijkens een overgelegde aangifte inkomstenbelasting over 2023 op ongeveer drie miljoen euro kan worden geschat: anderhalf miljoen euro op bankrekeningen, een woning met een WOZ-waarde van ruim een half miljoen euro en de holdingvennootschap, met daarin vooral kasgeld, met een waarde van een miljoen.

Deze schatting is door eiseres ter zitting niet betwist.

Het voorgaande betekent dat de giften per zoon per jaar gemiddeld ((90.038,- + 77.413,-) : (2 x 14) = ) € 5.980,- bedroegen, ofwel (5.980,- : 3.000.000,- x 100% = ) 0,2% per jaar van het beschikbare vermogen.

Totaal voor beide zoons over 14 jaar gaat het om 5,6% van het beschikbare vermogen.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze giften, gelet op alle omstandigheden van het geval, als gebruikelijke, niet bovenmatige giften worden aangemerkt, die passen in een patroon van substantiële bedragen die de ouders door de jaren heen aan de kinderen ten goede hebben doen komen.

Zij overweegt daartoe het volgende.

Door eiseres is aangevoerd dat vader en moeder sober leefden en dat de giften om die reden als bovenmatig moeten worden aangemerkt.

De rechtbank volgt haar hierin niet.

In de eerste plaats is hierbij van belang dat waar het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW het oog heeft op de bescherming van de gezinsfinanciën, een strikt subjectieve opvatting van bovenmatigheid, wat daar in het onderhavige geval verder van zij, niet zonder meer doorslaggevend kan zijn.

Ware dit anders, dan zou een echtgenoot die nooit enig cadeautje geeft en nooit enige niet strikt noodzakelijke uitgave doet, zelfs bij aanwezig substantieel vermogen een cadeaubon van € 25,- als bovenmatig kunnen aanmerken.

Voorts vindt de door [eiseres] gestelde soberheid, althans wat betreft giften aan de kinderen, geen steun in de gedingstukken.

Eiseres heeft gedaagde stellingen dat haar trouwjurk voor haar is betaald en dat zij meerdere malen per jaar werd getrakteerd op midweekjes weg in luxe hotels met moeder niet betwist.

Verder staat vast dat elk van de kinderen een auto heeft gekregen.

Gedaagde heeft ook levensverzekeringspolissen en brieven van een verzekeraar overgelegd, waaruit blijkt dat aan elk van de broers € 33.615,58 (fl. 74.079,-; incl. winstaandeel, het verzekerde bedrag was blijkens de polis fl. 60.798,-) is uitgekeerd, waarvoor blijkens de polis gedurende 13 jaar vanaf 1988 een jaarlijkse premie van € 1.973,94 (fl. 4.350,-) is betaald).

Blijkens de door gedaagde overgelegde polis ten gunste van eiseres was het voor haar verzekerde bedrag € 69.182,42 (fl. 152.458,-), waarvoor gedurende 21 jaar, eveneens vanaf 1988, een jaarlijkse premie is betaald van meestal € 2.881,50 (fl. 6.350,-; de laatste paar jaar was het iets minder dan fl. 6.000,-).

Eiseres heeft niet betwist dat elk van de kinderen een levensverzekeringspolis heeft gekregen en niet is gesteld of gebleken dat dit is gebeurd tegen de wens en zonder toestemming van moeder.

Ook het betoog van eiseres dat de schenkingen bovenmatig zijn omdat zij door vader niet ook aan haar zijn gedaan, faalt.

Nog daargelaten dat tussen partijen heftig in debat is welke giften door de ene ouder, giften van de andere ouder zouden beogen te compenseren: blijkens de wetsgeschiedenis heeft art. 1:88 BW een gezinsbeschermend karakter.

De strekking van het artikel is niet om de gelijke behandeling van kinderen te bevorderen.

Wanneer het niet om giften aan kinderen, maar aan een goed doel zou gaan, valt ook niet in te zien waarom een gift aan het ene goede doel reeds bovenmatig zou zijn, omdat andere goede doelen achter het net vissen.

In meer objectieve zin kan aan het voorgaande ten slotte worden toegevoegd dat naar het oordeel van de rechtbank in vermogende huishoudens, zoals dat van vader en moeder, giften aan kinderen in de orde van grootte van de fiscale jaarlijkse schenkingsvrijstelling voor kinderen (in 2010 € 5.000,-, stijgend tot € 6.633,- in 2024) in het algemeen niet ongebruikelijk en niet bovenmatig moeten worden geacht.

Het voorgaande betekent dat de vordering strekkend tot verklaringen voor recht dat de giften rechtsgeldig vernietigd zijn, moet worden afgewezen en dat voor vernietiging van de giften geen grond is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.