De Rechtbank Den Haag heeft onlangs in kort geding uitspraak gedaan over de reikwijdte van de informatieplicht ter berekening van de legitieme.
Erflater heeft twee dochters, die zijn geboren uit het eerste huwelijk van erflater.
Eén van de dochters is legitimaris, de andere dochter is overleden.
Erfrecht. Legitieme. Informatie ter berekening legitieme. Reikwijdte van de informatieplicht. Giften. Recht op inzage en afschrift van bankafschriften tot vijf jaar voor het overlijden van de erflater?
De rechter oordeelt als volgt.
Op grond van artikel. 4:78 lid 1 BW kan een legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. De erfgenamen en de executeurs moeten hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken.
Deze informatieverplichting moet, gelet op de wetsgeschiedenis, zo ruim mogelijk worden uitgelegd, met de enkele beperking dat de gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.
Uit artikel 4:65 BW volgt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.
In artikel 4:67 BW is bepaald welke giften bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moeten worden genomen.
Bij vorderingen tot het verstrekken van bescheiden op grond van voormelde wetsbepaling zijn, indien deze vorderingen zien op het verstrekken van bankafschriften dan wel transactieoverzichten zoals in deze zaak aan de orde is, de door banken in acht te nemen bewaartermijnen van zeven jaren van belang.
Door het verstrijken van de bewaartermijnen bestaat het risico dat door tijdsverloop informatie verloren gaat.
Legitimaris heeft in zoverre een spoedeisend belang bij haar vorderingen.
Inzage en afschrift van bankafschriften
Legitimaris vordert inzage en afschrift van de bankafschriften van de Bankrekeningen, over de periode van 28 januari 2014 tot aan de datum van overlijden van erflater op 28 januari 2019.
Deze vordering strekt er toe legitimaris in de gelegenheid te stellen de mededeling van gedaagde van 6 maart 2024 dat erflater geen andere giften heeft gedaan dan die reeds bij legitimaris bekend zijn, te verifiëren.
Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat legitimaris geen recht heeft op inzage en afschrift van de onder g) genoemde ING rekening, omdat deze enkel op haar naam staat en niet op naam van erflater.
Ter onderbouwing van deze stelling verwijst zij naar een afschrift van die betaalrekening, die als bijlage is gevoegd bij haar e-mailbericht van 21 februari 2025 aan legitimaris.
Dit verweer slaagt.
Artikel 4:67 BW schrijft voor welke door de erflater gedane giften in aanmerking worden genomen bij de berekening van de legitieme portie.
Deze bepaling impliceert dat bij de berekening van de legitieme portie enkel rekening moet worden gehouden met het verloop van het vermogen van erflater, welk verloop (mede) kan worden afgeleid uit afschriften van bankrekeningen die (mede) op naam van erflater stonden.
Uit afschriften van een bankrekening die enkel op naam staat van de echtgenote van erflater, kunnen in geen geval giften gedaan door de erflater worden afgeleid.
Voor zover de vordering betrekking heeft op inzage en afschrift van de onder g) weergegeven ING rekening, wordt deze dan ook afgewezen.
Voor wat betreft de overige onder a) tot en met f) genoemde bankrekeningen heeft het volgende te gelden.
De informatieverplichting van artikel 4:78 BW gaat niet zo ver dat een legitimaris zonder meer aanspraak kan maken op het verkrijgen van inzicht in het vermogensverloop van erflater in de jaren voorafgaand aan diens overlijden.
De legitimaris moet echter wel in de gelegenheid worden gesteld na te gaan of en tot welk bedrag giften zijn gedaan die van belang zijn voor de vaststelling van de legitimaire massa en daaropvolgend voor de berekening van de legitieme portie.
Daarbij kan het van belang zijn inzage in en afschrift te verkrijgen van bankafschriften van rekeningen die (mede) op naam staan van erflater.
Dit betekent dat de legitimaris er onder omstandigheden recht op en belang bij heeft om aan de hand van die rekeningafschriften na te gaan of er door erflater andere giften zijn gedaan dan die al bij de legitimaris bekend zijn.
Hoe ver de informatieplicht uit artikel 4:78 BW reikt en welke stukken die omvat moet per geval worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat legitimaris, gelet op de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien, redenen heeft om niet zonder meer af te gaan op de juistheid van de mededeling van gedaagde van 6 maart 2024 dat er geen andere giften zijn dan die welke reeds bij legitimaris bekend zijn.
De legitimaris heeft daarom recht op en belang bij inzage in en afschrift van de bankafschriften van de Bankrekeningen die (mede) op naam staan van erflater.
De mededeling van 6 maart 2024 dat er geen andere giften zijn gedaan dan welke bij de legitimaris al bekend zijn, kan de legitimaris niet zonder meer voor waar aanvaarden.
Bovendien is de legitimaris argwaan ontstaan doordat de door gedaagde aan legitimaris verstrekte aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2016 tot en met 2019 fluctuaties op de bankrekeningen onder a) tot en met f) laten zien en uit die aangiften blijkt dat het vermogen in drie jaar tijd fors is afgenomen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet onder deze omstandigheden worden aanvaard dat de informatieplicht van artikel 4:78 BW zo ver reikt dat gedaagde ook gehouden is bankafschriften van rekeningen die (mede) op naam stonden van erflater, over een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van zijn overlijden, te verstrekken.
Het voorgaande brengt mee dat de gevorderde inzage en afschrift van de bankafschriften van de rekeningen onder a tot en met f wordt toegewezen over de periode 28 januari 2014 tot aan de datum van overlijden van erflater, met inachtneming van het volgende.
De veroordeling wordt in de eerste plaats uitgesproken tegen gedaagde in haar hoedanigheid van executeur dan wel erfgenaam.
Artikel 4:78 BW biedt immers geen grondslag voor een veroordeling van gedaagde in persoon.
In de tweede plaats is van belang dat de toe te wijzen veroordeling haar begrenzing vindt in de beschikbaarheid van de gevorderde afschriften en transactieoverzichten.
Van gedaagde mag worden verwacht dat zij zich zo spoedig mogelijk (nader) inspant om bij de diverse banken de benodigde stukken op te vragen, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.