Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 9 juli 2019 uitspraak gedaan over een aanspraak van een legitimaris jegens de erfgenamen die beneficiair hadden aanvaard en al voor de vereffening tot verdeling waren overgegaan.

Het gaat in deze procedure om de aanspraak van appellante op haar legitieme portie jegens de drie erfgenamen van erflater.

De grieven in het hoger beroep betreffen de waarde die de rechtbank heeft toegekend aan de woning van erflater en de daarop rustende hypotheek op het moment van openvallen van de nalatenschap.

Met de grief in hoger beroep betoogt appellante dat de erfgenamen hoofdelijk dienen te worden veroordeeld tot betaling van haar legitieme aanspraak.

Aanspraak legitimaris jegens erfgenamen die beneficiair hebben aanvaard en al voor de vereffening tot verdeling zijn overgegaan. Hoofdelijke aansprakelijkheid?

De rechter oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 6:6 BW is van hoofdelijkheid sprake wanneer dit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit.

Door appellante is niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval in wet, gewoonte of rechtshandeling een grond is te vinden voor de door haar gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van de erfgenamen.

Haar betoog komt er op neer dat de verdeling van de nalatenschap voordat deze was vereffend ertoe leidt dat het voor haar moeilijker is geworden verhaal te vinden voor haar legitieme aanspraken, nu de ene erfgenaam in het buitenland woont en de andere erfgenaam op een uitkering is aangewezen.

Ook indien dit juist is, brengt dit niet mee dat de erfgenamen hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Ook hetgeen appellante hierover verder heeft aangevoerd, biedt daarvoor geen grondslag.

Deze grief wordt verworpen.

De volgende grief in hoger beroep betreft het volgende.

Volgens appellante had de nalatenschap eerst vereffend moeten worden voordat tot verdeling ervan werd overgegaan.

Dat is op zich juist, maar het feit dat in dit geval niet in overeenstemming met deze voorgeschreven volgorde is gehandeld heeft niet het gevolg dat appellante eraan wil verbinden, namelijk de nietigheid van de verdeling en de verplichting om de verdeelde inboedel alsnog in te brengen en te gelde te maken, aangezien voor een dergelijk gevolg geen wettelijke grond is aan te wijzen.

Appellante verwijt de erfgenamen dat zij door haar de informatie onthouden waar zij als legitimaris recht op heeft en onnodig lang de afwikkeling van de nalatenschap te traineren haar legitieme aanspraak in feite illusoir hebben gemaakt.

Ook indien dit verwijt terecht is, biedt dat geen voldoende grondslag voor de vorderingen zoals deze thans in hoger beroep voorliggen.

Dit betekent dat ook de tweede grief in het principaal hoger beroep niet kan slagen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.